Goed genoeg voor Ernie – WB Chicklit (1)

Zelfs m’n baarmoeder bloedt om jou. Natuurlijk moet ik uitgerekend vandaag ongesteld worden. Een passender moment had Moeder Natuur niet kunnen kiezen. De hoofdpijn, de kramp in m’n onderbuik; het klopt zo perfect bij dit doffe gevoel van binnen, deze grote, plotselinge leegte. Gisteren hoorde ik nog bij jou, vandaag weet ik dat het allemaal een illusie was. Hoe kan iets dat voor mij zo bijzonder was, voor jou zo weinig hebben betekend? Ik voel me belazerd, en dan vooral door mezelf.

Het begon passioneler dan ik ooit had meegemaakt. Passioneler zelfs dan ik verwacht had ooit te zùllen meemaken. Hoeveel woorden hadden we gewisseld, voordat we gulzig aan het zoenen sloegen? Ik had er in elk geval meer nodig dan jij, zoveel is zeker. Jij zei niet veel, vroeg alleen na pakweg 50 minuten of ik bij je kwam zitten. En ik deed dat, alsof het de gewoonste zaak van de wereld was. Het wàs de gewoonste zaak van de wereld, realiseerde ik me, toen we amper een half uur later in mijn slaapkamer lagen. Alle eerste keren schijnen nogal gênant te verlopen, of op z’n minst ongemakkelijk, volgens de Viva. En bevrediging hoort er al helemaal niet bij, met zo’n kersverse minnaar. Toch meende ik in jouw ogen dezelfde extase te zien die ik diep van binnen voelde, een extase die niet alleen het gevolg was van onze onmiskenbare geilheid. Wat overkwam ons, had deze oerdrift werkelijk uitsluitend met lust te maken? Ik kon het me niet voorstellen. Zelfs na de daad was er geen spoor van ongemak. Jij rookte een shagje en ik kroop behaaglijk tegen je aan. Ik vertelde de meest onsamenhangende verhalen en jij lachte alleen maar. Als ik af en toe verlegen zweeg, spoorde je me aan verder te babbelen. “Gezellig,” vond je en ik zag dat je het meende.
Ik weet zeker dat je verliefd was, die eerste keer. En met maar iets minder grote stelligheid durf ik te beweren dat die verliefdheid aanhield, die allereerste weken. Wanneer veranderde dat? Ik kan er mijn vinger niet op leggen. Ik snap jou niet, maar mezelf nog minder. Alsof we géén gesprekken voerden waarin je me op je behoefte aan ‘vrijheid’ wees, alsof je niet halsstarrig weigerde met me op vakantie te gaan, terwijl mij dat niet meer dan logisch leek voor jong-verliefden. Was ik alleen blind uit verliefdheid? Of wilde ik voor de zoveelste keer niet onder ogen zien wat ik diep in mijn hart allang wist: dat jij niet wilde wat ik wilde, dat jij niet voelde wat ik voelde. Wat ik wilde: een kameraad voor het leven; wat ik voelde: dat ik je al duizend jaar kende. Maar jij bleef me, geheel onwetend, kwetsen met opmerkingen over andere dames, parenclubs, over partnerruil. Het viel wel te rijmen met onze kinky experimenten tussen de lakens, suste ik mezelf, maar toch deed het pijn, dat je me niet exclusief voor jezelf wilde. Hoe kon ik jou ooit met iemand delen, laat staan met een andere vrouw? O, wat voelde ik me stoer en tolerant, dat ik meeging in je fantasieën en het zelfs opwindende vooruitzichten begon te vinden. Ik verlegde grens na grens en voelde me vereerd dat je je erotische dromen met me wilde delen. Maar begon daar niet al het Grote Wegcijferen?
Ik was verrukt dat we het zo gezellig hadden samen. We deelden eenzelfde soort humor, maakten woordgrapjes die niemand anders snapte, ontwikkelden onmiddellijk onze totaal persoonlijke rituelen. Verzonnen rare naampjes voor elkaar, fantaseerden onzichtbare huisgenoten en gingen de meest vreemde wedstrijdjes met elkaar aan. Want er was veel competitie tussen ons, omdat we allebei de leukste, de slimste en de grappigste wilden zijn. Wat ik later pas inzag, was dat ik er een heel eigen scenario bij bedacht: ik wilde ook nog de liefste, de meest attente en de aantrekkelijkste voor je zijn. En die ambities heb jij vice versa nooit gehad. Eigenlijk hoefde je daar ook geen moeite voor te doen: ik vònd je de leukste, de slimste, de grappigste en de liefste. Maar dat laatste was je zeker niet. Echt lief ben je nooit voor me geweest, maar dat besef ik nu pas. Ik neem het je niet kwalijk; met dat talent ben je gewoon niet uitgerust, je kunt ook slecht omgaan met liefheid van anderen. Als het op gevoelens aankomt, ben je net zo onervaren als je intelligent bent. We voerden er verhitte discussies over, over de relatie tussen de emotie en de ratio, maar zelfs die won je, omdat ik me teveel liet meeslepen door… juist: mijn emoties. Je had overal een verklaring voor: zelfs voor gevoelige zaken als verliefdheid en fysieke aantrekkingskracht en ik voelde me onzeker, groen en totaal belachelijk. Mijn verliefdheid was beslist van mijn gezicht af te lezen, zelfs voor iemand die beweerde daar niet in te geloven. Hoe doorzichtig was ik al die tijd voor je, waarom greep je niet eerder in? Doorgaan op deze basis van ongelijkheid zou steeds meer pijn en verdriet gaan doen, dat moet je toch hebben zien aankomen?
Maar dan stond je ineens weer, uren na middernacht, met een fles champagne of witte wijn op mijn stoep en bande ik alle twijfel en onzekerheid uit mijn hoofd. Iemand die midden in de nacht meer dan 100 kilometer voor je aflegt, is die verliefd of niet? Ik dacht het zeker te weten. Na een nacht vol passie gezamenlijk luisteren naar ‘ons’ wekelijkse radioprogramma, onze melige gesprekken tussen de lakens, de plagende stoeipartijen, de zelfverzonnen spelletjes, mijn aanvallen van slappe lach, jouw grenzeloze fantasie; we waren meer dan minnaars, of ik moet me sterk vergissen. Wat ging er dan mis, waar haakte jij af? We waren zo aan elkaar gewaagd, zo mateloos gevat en slim; ik genoot van elk woord dat we wisselden. Hoe was het mogelijk dat jij, technische bèta in hart en nieren, net zo verzot op taal bent als de a-technische alfa die ik ben? Ik leerde van je, liet je wiskundige berekeningen maken over de doorsnede van pizza’s, genoot van je zorgvuldige uitleg en je milde ongeduld als ik het niet meteen begreep. Soms acteerde ik onwetendheid, opdat je me de kwestie opnieuw tot in detail zou verklaren.
Toch waren er regelmatig irritaties, die voortkwamen uit de grote verschillen tussen ons, die er wel degelijk waren. Maar ik speelde het klaar zelfs die te koesteren, omdat die bepaalde eigenschappen en opvattingen je nu eenmaal maken tot wie je bent: de man op wie ik zo hopeloos verliefd werd.
Terwijl ik dit schrijf, brokkelen er heel voorzichtig kleine stukjes van dat ideaalbeeld, eenvoudigweg omdat ik inzie dat niemand die kritiekloze adoratie verdient die ik voor je voelde. Er is veel meer ‘mis’ aan je dan ik me herinner, dat kan niet anders. Maar iemand die zo verliefd is op de liefde als ik was, heeft er geen baat bij realistisch te zijn. Dat heeft pas weer zin als het liefdesverdriet is aangebroken…
Is het arrogant om me af te vragen met wie je hetzelfde niveau van communiceren denkt te beleven, met wie je dezelfde edele vorm van humor zult delen? Ik kan haast niet wachten op je volgende romantische belevenissen, opdat je zult inzien dat het wel degelijk uniek was wat wij hadden. Tegelijkertijd realiseer ik me dat je er geheel eigen motieven op nahield om een einde te maken aan onze relatie, een ‘geheime agenda’, waarin je me nooit bevredigend inzicht hebt gegeven. Zolang ik die motieven niet ken, zal ik niet geloven dat dit definitief is, niet begrijpen hoe je dit kon besluiten. Ik zal mezelf blijven wijsmaken dat je dat zelf óók niet weet, dat het voor jou net zo’n groot raadsel is en dat je binnenkort zult beseffen dat je je ernstig hebt vergist. Ik wéét toch dat je me mist, ik wéét toch dat je naar me verlangt, ik wéét dat je soms zelfs van me droomt. Maar wat ik nog net even iets zekerder weet, is dat je daar toch echt helemaal zelf achter moet zien te komen, dat al mijn pogingen om jou daarvan te doordringen averechts zullen werken. Wat een pech dat we allebéi zo koppig zijn, dat we allebéi overtuigd zijn van ons eigen gelijk. Maar als dat zo is, waarom weiger je dan ieder gesprek over deze situatie, waarom vlucht je in paniek weg voor mijn wanhopige vragen en openhartige uitspraken? Waarom wil je het contact niet definitief verbreken, waarom blijf je me hardnekkig koosnaampjes geven? Je maakt het me niet gemakkelijk, en je hebt er geen flauwe notie van. Je sust je geweten met de overtuiging dat het goed met me gaat, dat ik een sterke vrouw ben met een druk sociaal leven (allemaal waar) en dat ik minder moeite zal hebben met het opvullen van De Grote Leegte dan jij. En zo wil ik het ook. Ik wil niet dat je weet dat ik al weken vrijwel driemaal daags een enorme huilbui onderdruk, op de raarste tijdstippen, in de vreemdste situaties. Ik wil niet dat je weet hoe ik je grote, sterke lichaam mis, niet eens zozeer bovenop of onder me, maar vooral naast me, knus in bed. Het heeft geen zin dat je beseft hoe gewond ik ben, hoe onzeker je me hebt gemaakt, dat ik mijn flinke ‘zelf’ kwijt ben sinds een dag of veertig. (Veertig dagen pas, net iets meer dan een maand; hoe is het mogelijk dat ik dit verdriet al mijn hele leven lijk te kennen?) Sterker nog: het is beter dat je het niet weet, je zou er met je pet niet bij kunnen, mijn verhaal loopt over van emoties en daar weet jij bijzonder slecht raad mee.
Wat moet ik toch met je, groot klein kind, arrogante onzekere jongen, gevoelloze kwetsbare man? Geen enkel relatiebureau zou ons voor elkaar bemiddelen, niemand die ik ken zou jou voor mij uitzoeken, en toch bloedt mijn baarmoeder om jou, toch ben ik een deel van mezelf kwijt sinds ik bij je wegsloop.

About emilia-nam