Henrik Henegouw

Ergens in Troyes – Brievenbuskastjes en boenwas – Diezelfde dag maar dan eerder – “Une pain aussi” – Waspoeiers ? – Doel en middel
Het was koel in het halletje. Ook rook het er naar boenwas.
Aan de wand tegenover de deur hingen netjes op rij vijf houten kastjes. Het waren oude kastjes, die ongetwijfeld al zolang hier hingen als het huis er stond. Brievenbuskastjes. Met ingelegde koperen slotjes. Op het deurtje van elk van de kastjes was een naambordje geschroefd. Ook die naambordjes waren van hout. En de bij de bussen behorende namen waren als in het hout gebrand. Of gekerfd, misschien. Gestanst? Heette dat niet zo?
Ron Zevester wreef bedachtzaam met een wijsvinger over het bordje op het middelste, het derde, deurtje. Vervolgens volgde hij de uitgediepte lijntjes van de letters met het puntje van zijn nagel. Als om het helemaal zeker te weten.
“Davière, M.”
Dat stond er.
“Monique Davière,” mompelde hij.
Het was dezelfde naam die vóór in de agenda stond. Dezelfde naam ook die op het bankafschrift gestaan had. De agenda en het bankafschrift zaten in het leren handtasje dat hij die ochtend onder de stoel in zijn auto vandaan had gehaald.
En het halletje was het halletje van het huis dat hoorde bij het adres waar ooit dat bankafschrift was heengestuurd. Hetzelfde adres had ook ónder de naam in de agenda gestaan. Daar was het met rode balpen geschreven, in een beraden handschrift dat vrouwelijk rond oogde.
“Monique,” mompelde Zevester weer. En: “Davière …”

Hij was als een blindeman Parijs uitgereden, altijd maar recht door, in noord-oostelijke richting, zorgvuldig snelwegen en tolpoortjes vermijdend. Want wie weet lagen ze er al, op de loer … Het bloed bonkte in de aderen van zijn slapen en was dat blijven doen, ook toen hij halfweg de middag in een slaapdronken gehucht uiteindelijk bij twee pompen aan de weg langs een verlaten pleintje met drie bomen, een bankje en een vervallen spoorwegstation even was gestopt.
Die pompen maakten deel uit van de nering van een lokale middenstander die naast brandstof, de kranten van gisteren, gelig verkrulde prentbriefkaarten en tabak ook voedsel en drank verhandelde. Naar keus te nuttigen staande binnen aan een kleine toog, of zittend buiten aan één van de twee tafeltjes op de stoep, naast de pompen, aan weerszijden van een open deur in een raamloze muur.
Het was die muur geweest, vuilwit onder de elkaar overlappende resten van tientallen altijd ooit maar half weer verwijderde aanplakbiljetten, die vooral zijn aandacht getrokken had. De resten van affiches voor van alles en nog wat, maar waarvoor precies, daar kon je nu enkel nog maar naar raden. Politieke partijen ? Volksleiders ? Circusvoorstellingen ? Vakantiebestemmingen ? Waspoeiers ? Ongetwijfeld, en zeker nog wel meer ook. Het was een eng aangename muur, vond Zevester, een muur die zijn ogen zozeer streelde dat hij hem een esthetisch summum scheen. Een hoogtepunt dat door de jaren heen door de god van het toeval voor hem en hem alleen gecomponeerd was; een ding dat in het extreem aleatorische van zijn gelaagde bekleding ieder en alles ander had weten te vermijden en uiteindelijk voor hem en hem alleen dat dwingende, dat volstrekt onvermijdelijke had gekregen.
Hij kende dat soort gedachten, die gevoelens. Hij had ze wel vaker. Soms schoot hij er nog vol bij ook en moest hij er van snikken. Soms. Meestal ging het na een tijdje wel weer over. Maar dat kon niet door zijn ogen er voor te sluiten en door te rijden. Dat was niet echt een optie. Dan werd zo’n ding vaak zo zeer obsessie, dat hij geen rust meer had voor hij er alsnog bij gezeten had, of vóór gestaan, en de zaak zijn beloop kon laten.
Bijvoorbeeld.
Dus ook daarom was hij maar bij die twee pompen gestopt, uitgestapt, met het leren tasje in zijn handen, en aan het rechtertafeltje gaan zitten, gezicht naar de muur toe, tegenover een prullenbak van groen plastic, waarop ook nog eens het prentje van een olijke kaketoe geplakt was.
Hij was de enige klant.
Aan het linkertafeltje zat een bijziende en gezette grijzende dame in een blauwige bloemetjesjurk, met een stompje potlood tussen haar lippen. Ze tuurde ingespannen naar een kruiswoordpuzzel in een of ander damesblad. Toen Ron ging zitten, stond zij op. Ze lachte vriendelijk, dat hoorde bij de bediening, bond een groezelig schort voor en begon ongevraagd zijn Cadillac vol diesel te pompen.
Une pain aussi, merci,” zei Zevester toen dat gebeurd was, want zijn Frans was niet al te best.
Jambon ou fromage ?” vroeg de vrouw, die haar handen aan het schort afveegde, dat vervolgens weer afknoopte en terug over de rug van één van de stoelen legde.
Zevester keek naar de prentjes op de muur en speelde afwisselend met het tasje. Hij keek om, verschrikt een beetje, en knikte, met een haastig gesproken“oui, oui !”… De vrouw schoot in de lach. Terwijl hij haar iets over ‘buitenlanders’ zag denken, liep ze hoofdschuddend naar binnen toe om dat broodje met ham of met kaas klaar te maken.
Ron ritste ondertussen het handtasje open.
Daar zat het barstensvol.
Een tijdlang woelde hij met beide handen door de inhoud, en af en toe trok hij iets te voorschijn om het te bekijken.
Hij vond een aangebroken pakje OB tampons, type ‘normal’, en drie pakjes Kleenex zakdoekjes, ook aangebroken. Tientallen kassabonnetjes … van de Franprix, Monoprix, Millepages, Le Beau Verger, Tutti SARL, Picard SA, Fabien Guetta, Institut Jessy, Martin Jacquart, SNCF, Folie Coupons, BHV, Le Piatto, Marionnaud, Mr Navong Chanh, Akila, Perdriau Jackie, Fairplay Voyages, Villa Del’Est, Cash Discount, Corelie, FNAC, Esthétique Naturelle, Laurem … De wijlen eigenaresse van het tasje hield blijkbaar van spenderen, want de bedragen op die papiertjes logen er vaak niet om.
Een kleine tube Ecrinal (soin et beauté ongles), versterkende crème ‘met ANP’. Twee wat grotere tubes Neutrogena (crème mains concentrée), voor droge en beschadigde handen. “Eén voor elke hand zeker,” zei Ron hardop, want hij moest nu even zijn eigen stem horen.
Een bijna helemaal verbruikte Elizabeth Arden bloedrode lippenstift, en een Télécarte van France Télécom, 50 unités
Allemaal bekeek hij het aandachtig om het vervolgens met een boogje in de groene prullenbak te gooien.
Een zelfde lot onderging een aluminium Lacoste brillenetui met erin een zonnebril die er erg prijzig uitzag, en het dat waarschijnlijk ook geweest was. En de zwarte Pilot Super Grip <M> balpen. En de zwarte Conté Visa 880 viltstift. En de zwarte Pilot VballGrip, type ‘fine’ …
Maar het verfrommelde wit katoenen zakdoekje met rood geborduurde initialen M.D., dat stopte hij terug in het tasje.
Hij had er plots genoeg van om alles maar weg te gooien.
En het sprak toen natuurlijk eigenlijk vanzelf dat hij ook de bos met een stuk of vijf sleutels, aan een hanger met een ellipsvormig koperen metalen plaatje waar in hoofdletters ‘air port orly vip’ in gegraveerd stond, niet in de prullenbak, maar terug in het handtasje gooide. Net als de vier, vijf gevouwen vellen briefpapier, met namen, telefoonnummers en ook zo maar woorden waar hij zo snel weinig touw aan vast wist te knopen. Toen kwam er een bankafschrift van de Crédit Agricole te voorschijn. Op dat afschrift las hij voor het eerst ook een adres en een naam – Monique Davière … En er pronkte een – positief – saldo waar hij als armlastig nederlands broodschrijver niet anders dan bewonderend bij fluiten kon.
Er waren tenslotte nog een portemonnee, maar daar zat enkel wat kleingeld in ; een versleten mapje met twee kredietkaarten, die allebei leken te horen bij de rekening van het afschrift ; een zwart Moleskine notitieboekje en een dito zwarte Moleskine agenda. Net toen hij die boekjes wilde open slaan, kwam de dame weer naar buiten. Ze droeg een bord met daarop twee met blaadjes sla en wat tomaat omrandde stukken stokbrood. Eén was er belegd met ham, zag hij, en de ander met kaas. Ongevraagd serveerde ze er ook een fles rode landwijn bij.
En Ron zei geen nee.
Hij dronk gulzig van die wijn, en ook alletwee de broodjes schrokte hij naar binnen. Zijn summum van esthetiek had hij nu al wel weer lang genoeg aanschouwd. En toen korte tijd later de bodem van de fles al rasser naderde had Ron Zevester weer haast. En moed. En zelfs, hop!, iets van een doel.
Want gesterkt door de geest van het druivennat dacht hij : “Waarom van de nood dan niet een deugd gemaakt? Ik heb een naam nu, ik heb sleutels en ik heb een adres …” Troyes, heette de plaats die er bij hoorde. Hij wist wel ongeveer waar dat ergens lag. Meer naar het zuiden weliswaar, maar echt héél ver was het niet.
Hij stopte ook de twee Moleskine boekjes terug in het tasje en ritste dat weer dicht. ‘On ze rood !,’ dacht hij in een Engels dat niet echt veel beter dan zijn Frans was.
Snel rekende hij de maaltijd en de diesel af.
Hij lachte daar vriendelijk bij en de dame lachte vriendelijk terug. Oók nog toen Ron bij het opstaan de paar munten wisselgeld van het tafeltje graaide en in zijn broekzak stopte. Ze plaatste toen wel beide haar handen op haar heupen, maar ze bleef vriendelijk lachend kijken hoe de man met het handtasje en wat er van de inhoud restte weer in zijn Cadillac stapte, de auto startte en met een wijde boog de neus terug draaide in de richting waaruit hij eerder was gekomen.
Ze zwaaide zelfs nog even.
Dat met het groeien van de afstand haar blik van vriendelijk lachend naar ernstig bedenkelijk betrok kon Ron Zevester natuurlijk niet weten.

Uit de open deur van de tabac-bar-brasserie annex pompstation schalde een oude radio of grammofoon een lied waarin een goedgebekt zangeresje van de schoonheid van het leven getuigde, en dat ondanks alles … “C’est beau la vie, quand même …”De dame begon op de maat van dat gezang met de zijkant van haar schoen de groene plastic vuilnisbak driftig in de richting van de open deur te schuiven. “Merde ! Jules !” gilde ze met een ijzig hoge stem die bijna oversloeg. “Merde ! Jules ! Jules, viens voir !”
– wordt vervolgd –
Moois van Harsman
Harsmedia: Harsman’s eigen siteEerdere afleveringen van Henrik Henegouws Hellevaart
J. K. Harsman

[ David Bowie – “Aladdin Sane”/”Diamond Dogs”/”The man who sold the world” :: Richard Dreyblatt – “Bowing” :: Syd Barrett – “The madcap laughs” :: Brian Eno – “Here come the warm jets” ]

About j.k. harsman