Henrik Henegouw

Ba(r)s maar ! – Schimmel en papier-maché – Krantenkoppen – Het vlees wordt woord, ook op de woensdag – Matras-strategie en ESP – Weer terug in de kamer

[ Hier : # (een opraapteken) ] …

>> Even gleed de bassist met een duim langs de haren van zijn strijkstok. Hij keek bedenkelijk. Draaide hij daarom met het knopje onder de spanning nóg een slagje hoger ? Hij voelde nog een keer … De uitdrukking op zijn gezicht veranderde van bedenkelijk naar : ‘al beter zo … maar toch maar die haren nog wat harsen … ‘ Hij plaatste het blokje weer onder aan de strijkstok, drukte, en wreef toen in één lange haal – sjztrriiiéépp – naar het andere einde toe … Er klonk geklap, en: “oohh !” zuchtte er heel uit de diepte een vrouwenstem.

“Dooh !” dacht Henrik Henegouw.

… [ En doohr : ] …

“Doohh ! Bas jij maar !” mompelde hij en hij deed zijn ogen dicht.

Soms was dat voldoende om alles wat daarna kwam gelijk heel anders te laten zijn.
Soms was dat voldoende.

Hij liep in een lange koele gang waar het stikdonker was. Hij liep er als een blindeman want om de bijna lege batterijen van zijn zaklamp te sparen voor als het écht nodig was had hij zijn lamp uitgedaan en zocht hij zijn weg – verdur – door met zijn vingertoppen langs de wand te glijden.
Waar hij naar toe op weg was, dat wist hij niet.
Wel dat hij alleen was.
De enige.
Voorlopig dus maar zo.
De wand die hem leidde had in het begin koud en klam gevoeld, maar na een tijdje registreerden zijn vingertoppen eigenlijk nog maar weinig – klam noch koud noch warm – en was er enkel de onregelmatig golvende beweging over de vele oneffenheden heen die zich in een evenredig golven van de spieren van zijn armen vertaalde.

“De weg die mijn vingers gaan is heel wat langer dan die van mijn voeten,” bedacht Henrik Henegouw. “Dat lijkt misschien vreemd, maar het is wél zo …”

Het rook er naar beschimmeld krantenpapier.

Henrik snoof en zijn gedachten gingen uit naar alle woorden die ooit zó trots op zulk papier gedrukt stonden dat ze er welhaast van àf hadden kunnen schreeuwen … “Hadden kunnen … hadden … ay, daar rubt ’t ‘m …, oh … da’ys bek-kent … – ‘shake spier’ – … ” dacht Henrik. Hij grinnikte om zijn eigen flauwe grap en fluisterde: “Dat is zo, omdat het steeds de spier of de mussel, omdat het steeds zeg maar het vléés is dat woord wordt. En de andere krant op dan ? Ho maar !! …”
Het had de daaropvolgende ochtend zelfs al in de Grammerdammer gestaan … zonder dat iemand er op bedacht had kunnen zijn. Zoiets bedacht je ook niet … koppen – hoofdllllllijnen – kranten-k-koppen … :: … (gezet bij het pastel gekleurde prentje van een rozige slagersjongen die wijdbeens op de rug van een varken zat, een trotse advertentie die het lof stak van het elke woensdag weer lager geprijsde keurslagersgehakt ::)(:: hoe in een bramenstruik in Echt een jong gediplomeerd kleuterleidster – met haar herder voor het te bedde gaan nog even aan de wandel – in twee als nieuwe vuilniszakken verpakt een in zompige stukken gesneden lijk van een vent vond waar het hoofd van ontbrak, maar al de rest die zat er nog aan; je kon met name goed zien dat-ie besneden was wist Henrik, hoewel de juf dat detail voor zichzelf had gehouden en niet aan de krant verteld, want het stond er niet; en – vlak daaronder, goed gecentreerd – van de belastingambtenaar die op een zelfde moment aan de rand van de gemeente Heel zijn poedel uitliet en daarbij een gepermanente vrouwenkop aantrof, onbedekt grimmend vanop een houten bankje in een onverlicht bushokje; de niet meer zo diep- maar nog steeds heel duidelijk blauwe verf van de planken van het bankje bladderde, en hij had er voor gezorgd dat er fikse verfschilfers in het al geronnen bloed op wat eens des dames nekje was kleefden … maar dat detail had de ambtenaar voor zichzelf weten te houden: het stond er niet … ::)

Hoe dan ook sprak het vanzelf dat van gunder tot ginder een ieder daarbij het eigen hoofdstuk dat vast nog aan een bijbehorende romp van idem geslacht zat in afgrijzen schudde, toch ? … – voor hoelang nog, vraag je je eigen dan even af, hè ? – … Maar daarna was het heel snel enkel een zaak weer voor officiëlere instanties. En kochten alle huisvrouwen en vrijgezellen die woensdag toch hun gehakt …

Hier en daar voelden Henriks vingers door stroompjes vocht die langs de wanden van beneden aan de gangvloer omhoog naar het plafond toe leken te kronkelen, hoewel het – zwaartekracht, hè ? – waarschijnlijk toch net andersom was. Hij knipte zijn zaklamp aan en verplaatste de gelige lichtkegel van onder bij zijn voeten naar boven bij zijn hoofd toe. Er liepen daar langs de linkerwand buizen en op sommige plekken druppelde het, ja … druppel, druppel, druppel … van hoog naar laag, toch … Kwam het van een waterleiding ? Henrik haalde zijn schouders op en knipte zijn lamp weer uit. Even viel zijn blik daarbij samen met een laatste gloed van de lamp op een stel letters die met ooit wit groot op de wand gekalkt stonden – als gothisch, met veel krul en punt – maar hij deed zijn lamp niet opnieuw aan om er béter naar te kijken; ze in zich óp te nemen. Wel hield hij op de plek even nog stil. Hij liet zijn vingertoppen teder de geschilderde letters strelen, dat hij goed de textuur zou voelen. Want samen vormden die letters een woord, en Henrik wist zeker dat dit woord ‘kut’ was – hij verklaarde iets in die geest later ook heel beslist en met veel overtuiging. In werkelijkheid echter bleek het woord ‘god’ te zijn geweest. (Henrik had het misverstaan. Tenzij iemand willens en wetens achteraf de muren corrigeerde, wat weliswaar onwaarschijnlijk, maar natuurlijk nooit helemáál is uit te sluiten.)

Wéér die muffe geur van beschimmelde kranten …

“Papier-maché,” dacht Henrik Henegouw, “om fffrrraaie poppen mee te maken …”
Je scheurt al die ouwe kranten eerst in repen, van boven naar beneden … en vervolgens die repen in snippers. Al die snippers gooi je in een bak met water. Dan is het zaak om het boeltje goed te kneden en het allemaal steeds weer uit elkaar te peuteren … opnieuw te kneden … te peuteren … te kneden … te peuteren … tot het na een tijdje echt goeie pulp is geworden. Echt goeie pulp … waar al het woord geworden vlees een ondeelbaar deel van is. Tot in de eeuwen der eeuwen …
“Amen,” bromde Henrik. “Dát wordt de geest van het beest … ”

De gang liep hier vrij steil omhoog, merkte hij.
Henrik ademde zwaar …
Weer schoot hem iets uit een krant te binnen. Een stuk over walvissen die her en der op de kusten bleven spoelen. En waarin er over werd geklaagd dat de markt voor potvis-skeletten jammerlijk verzadigd was. “Ieder museum dat zo’n ding in de hal wilde, heeft er inmiddels een,” stond er. En ook iets over de in zulke gevallen veel gebezigde matras-strategie.
“God jezus,” bedacht Henrik, “zoiets werkt misschien wel bij grienden, die duizend kilo wegen, maar zeker niet bij een potvis van veertig ton!” Weer grinnikte hij. “Wat denken ze wel! Aan de staart terugslepen is veel te schadelijk voor de wervelkolom. En hoe je het ook draait of keert, zo’n beest is er geweest. Je kunt eigenlijk het beste maar één ding doen: niks doen … en er een feestje bij bouwen: een dooie-vissenwake. Als er voor het skelet geen markt meer is, waarom scheppen we er dan niet eentje voor de kadavers ?”
Henrik kuchte.
Hij bleef even staan en hijgde uit.
“Ik maak er zo kunst van, hoor, met catalogi in diverse talen, prentbriefkaarten, een manifest, web scams, chats en talk-shows in binnen- en buitenland, museale projecten achter whatever stedelijk spoorwegstation, met historische plaatsing, street teams, een minister van cult-uur en loftuitingen van het hogere aars-management; publiek forum met lichtkrant, weer een week van de zee, stickers, vernissage-partijtjes met lauwe champagne, straf aangelengde Berenburg, weke pinda’s enzo more,” overwoog hij. “Want vanwege het verrotten van de ingewanden ontploft zo’n beest vroeger of later, en kijk, dáár moet je dus wat mee willen … Op een strand, en dan het liefst dat van een waddeneiland. Wie zou er nou niet eens een keertje bij willen zijn als er zo’n verdwaalde potvis ontploft? Je bouwt er wat omheen, ik zei het al … een kunstfestival, met optredende circus- en geluidsartiesten, en veel betalend publiek. Die je dan allemaal samen in een vloot van ecologisch verantwoorde bootjes naar die plek laat komen, met journalisten en cameraploegen die de rituele wake professioneel weten te verluchten door het interviewen van zichzelf, collega’s, een handvol groene would-be landsbestuurders met achter de hand een onbezonnen antwoord op werkelijk alle vragen; en ook wat bijna-deskundigen, die echter vooral veel peinzend over de golven in de grijze verten willen turen; en met dieptevragen aan de willige ‘zo maar’ toeschouwers over ‘hoe zij het ervaren’, over hun ‘één met de natuur’, hun ‘nu dichter bij god’ … En, het spreekt vanzelf … met vele artiesten ! … tot dan tenslotte – climax :: … ‘wham-bam!’ is er … ESP … ‘Exploding Sperm Whale’ … de potvis ontploft … zoiets ruik je in de grote stad niet elke dag natuurlijk, en er is voldoende rest om voor allemaal een stukje in plexiglas te gieten en als aandenken weer mee terug te nemen, dat er verder ook helemaal niks meer van overblijft …”

Hij maakte er mentaal een notitie van (schrijven dat ging nou niet), dat hij voor komende tijden op zo’n gebeurtenis voorbereid moest zijn. Het aanspoelen van zo’n beest liet zich moeilijk voorspellen natuurlijk, maar hij zou misschien wel iemand zoiets als een kansplaatje kunnen laten schetsen ?
En dan al vast de subsidies aanvragen, want daar kon je op heden niet meer vroeg genoeg mee zijn.

“Vervolgens neem je een stuk van een oud laken. Of een theedoek. Daar gooi je de emmer met papierpulp door leeg, en je wringt dan net zolang tot al het water er door weg gesijpeld is. Vervolgens wat behangsellijm er bij … een eetlepel of drie per tennisbal pulp. En kneden maar weer, jongens … tot het klaar is … Jazeker, pater Augustinus had dat maar al te goed begrepen! Papier-maché maken is een activiteit die je uitstekend met kinderen kunt doen …”

Hij was aan het eind van de gang gekomen. Einde, ja, want dat er verder alleen nog maar een terug was. En een achterwand met een metalen deur.
Het oppervlak, waar hij met de palmen van zijn handen over streek, voelde koud en ruw.

Henrik greep de deur bij haar klink en duwde.
Het piepte een beetje en van achter de deur waaide een schemer de gang binnen. “Sshhht ! Stil nou – shht !” klonk het gedempt, uit verschillende hoekjes en kelen. “Shhttt … ! Het gaat beginnen …”
Hij tipteende de kamer in en deed de deur voorzichtig weer achter zich dicht.
– wordt vervolgd –
Moois van Harsman
J. K. Harsman

About j.k. harsman