Henrik Henegouws Hellevaart, aflevering 33:


Het kon elk moment afgelopen zijn, of juist opnieuw weer beginnen. Ron Zevester aarzelde.
Hij luisterde en keek omhoog de trap op.
Van boven klonk, van achter deuren die dicht waren natuurlijk, dof en gedempt klassieke muziek met veel vioolgestrijk. Aan de harmonie herkende hij – ‘johohoe !’ – de meesterhand van Wagner. Richard.
Het was een opera. De Vliegende Hollander dacht hij.

“Storm of geen storm …”

Het was in de jaren van glimmer en hoogtij van het VOC dat kapitein Willem van der Decken terwijl hij op de Oost voer achter de rug van de Heren Zeventien aan het kaapren sloeg, met een bemanning van onervaren jongelieden geronseld in weeshuizen, en onverbeterlijke slechterikken uit de kroeg en van straat geplukt. Onder zijn fraaie woning met zicht op de haven, gelegen op de stadswal van Terneuzen, waar hij samen met de mooie Catharina woonde, groef hij in het geheim een stelsel van smokkelgangen dat leidde naar een hol waar hij de schatten die hij vergaarde bewaarde.
Willem trad met voeten alle regels van fatsoen.

Dat moest je niet doen …
Ron schudde afkeurend zijn hoofd.

Captain Willem werd almaar wilder, almaar gekker. Natuurlijk, dat kwam er van. En al gauw was er voor hem geen weg terug meer …
Kijk, daar stond hij! Met zijn pijpenkrullen en een verrekijker trots op het dek van zijn schip, bij een mast of aan de reling. En maar joelen van je johohoe terwijl de zilte druppels hem om de oren vlogen … (Als de zon scheen, altijd koket met de knoopjes van zijn hemdje open – dat de krulletjes van stug zwart haar op zijn borst mee in de stormwind onduleerden.) Een ieder aan boord van de ‘Den Hollander’ diende naar zijn pijpen te dansen, want anders ging Willems mes er in, kurkentrekkerwijze – of werd er kielgehaald.
En dat terwijl hij als hij weer thuis in Terneuzen was toch zo’n nette en godvruchtige man leek ! Altijd kwam hij aan met een kostbaar maar toch lief presentje voor zijn Catharina, die daar op de stadswal altijd trouw op de wederkomst van haar beroemde echtkapitein wachtte. Dat ze dat deed sprak eigenlijk vanzelf. Want Willem was ook een bedreven en attente minnaar. De weken dat hij in het vaderland aan wal was was het elke nacht feest in de riante bedstee van de van der Deckens … Maar toch en desondanks : na al die jaren en al die liefde was er steeds nog geen spoor van nageslacht geweest …

Dat allemaal overdacht Ron Zevester toen hij stilletjes de trappen van dat hoekhuis in Troyes beklom. In zijn vuist klemde hij het bosje sleutels uit het handtasje van Monique Davière.
Op elke overloop had hij het gevoel dat er van achter de gesloten deuren naar hem werd gekeken. Door een spionnetje bijvoorbeeld, terwijl hij met licht samengeknepen ogen naar de naambordjes naast de deurlijsten tuurde om uit te vinden welke dan wel de woning was die bij zijn Monique hoorde.
Ondertussen vioolde Wagners Hollander al maar luider.
Al snel ontdekte hij dat het vanuit de woning op de tweede verdieping was dat de muziek weerklonk. Dat leek niet die welke hij zocht. Er stond ‘H. Krötenschwanz’ op het bordje onder de bel, in een letter die krullend de klank van die naam eer deed.
Er werd trouwens ook méégezongen binnen hoorde hij nu.
Een vrouwenstem, een sopraan, en niet onverdienstelijk.

Even bleef Ron staan luisteren.

Ja, het kon de verklaring voor captain van der Deckens werdegang zijn, toch ? … Dat in al die jaren van geluk en aanzien het nageslacht maar niet komen wou. En hij aan zijn mannelijkheid te twijfelen begon. Was hij, die grote Indiëvaarder, wel een échte man ?
Om de voortknagende twijfels het hoofd te bieden begon hij op zeker moment het in verre havens aan te leggen met andere wijven.
Ook dat zag Ron Zevester weer in geuren en kleuren voor zich daar van het overloopje naar de trap : een parade van dampende lichtekooien in alle maten en soorten, meisjes van plezier, die door Willem met geheven sabel bereden werden … al wat voor hem de benen maar spreiden of de billen maar lichten wou … Maar zijn twijfels werden er in de jaren die volgden enkel maar groter op. In verre havens, somber en met een fles rum alleen aan een ruwhouten tafel in een donkere hoek van een louche zeevaarderskroeg zat Willem ’s nachts vaak te kniezen. Van je johohoe en nóg een slok … “En dat je ze hebben zal, je erfgenamen … Fakkeldragers … Kerels uit een stuk van Jannes-de-Wit ! Tot-op-de-bodem-drinkers, niks geen pijpenrokers !” … Ron hoorde hoe Willem het bromde, terwijl hij met een vuist zó hard op het blad van zijn tafel sloeg dat de rum over de rand van zijn glas heen spetterde.

Van de derde verdieping vervolgde hij zijn weg omhoog de trappen op.
De vierde was de laatste en hoogste verdieping, met twee deuren die toegang tot gescheiden zolderappartementjes boden.
De linkerdeur, daar had hij naar gezocht. M. Davière stond er met rode viltstift geschreven op een stukje papier dat met plakband onder de bel was bevestigd.
Ron stak één van de sleutels van zijn bos in het sleutelgat, draaide wat en wrikte, maar het wou nog niet open …

Het ging mis toen Willem met zijn ‘Den Hollander’ bij Kaap de Goede Hoop in stormen terechtkwam die vele weken lang in alle hevigheid aanhielden. De bemanningsleden, die toch heus niet voor een kleintje vervaard waren, raakten zo wanhopig van uitputting – het was op de zondag van pasen in het jaar 1678 – dat ze de stuurman in hun naam naar van der Decken stuurden om hem op de blote knieeën te smeken toch alsjeblieft rechtsomkeert te maken en in een veilige haven het luwen van de storm af te wachten.
Hij zei : “… Captain … ?” Die zei : “ … what ya want ?!” …
Willem wilde van geen wijken weten.
In blinde woede schopte en stootte hij zijn stuurman van zich af, overboord, omlaag in de woest kolkende golven. “Varen zal ik,” schreeuwde hij, “storm of geen storm, pasen, pinksteren … kerstmis desnoods … ! God of de duivel, ik vaar die Kaap om, al is het tot in eeuwigheid ! …”

En ja, het resultaat dat kennen we, hè ? Hij vaart er nog steeds …

Ron hoorde aan een piepen hoe achter zijn rug de deur van de andere zolderwoning op een kiertje ging. Hij draaide zich om en ving even nog een glimp op van een grijze rimpelkop.
Toen sloeg de deur alweer dicht.
Ron zuchtte moedeloos en probeerde de volgende sleutel van zijn bosje.
“Deze aflevering heb ik óók al eens gezien …” fluisterde hij, maar hij vergat het gelijk weer, want de sleutel paste.
Hij stapte de woning binnen en tastte aan weerszijden van de deurpost langs de muur, waar hij al snel een schakelaar vond.

“Nageslacht …,” dacht Ron Zevester … “Het is de tijd die je toekomt …” Hij had dat ooit ergens gelezen en altijd onthouden. “De tijd die je toekomt …” Bovendien is er de ruimte die door die tijd wordt ontsloten, want het hangt allemaal samen, en hoewel hij om die reden nog nooit aan zijn mannelijkheid getwijfeld had stak het ook Ron dat hij in al die jaren bij geen van zijn opeenvolgende vriendinnen nog een Zevesterretje verwekken mocht.

Hij stond in een halletje.
Aan de kapstok hingen een paraplu, een regenmantel en een zwart leren jasje. Op het tafeltje naast de voordeur stond een telefoontoestel met een lampje dat knipperend aangaf dat er drie boodschappen waren.
Daar zou hij later nog naar luisteren, nam Ron zich voor.

Er waren twee deuren.
Eén gaf toegang tot een toilet- en doucheruimte waar het naar limoenen rook, heel schoon. Hij maakte van de gelegenheid gebruik om zijn gespannen blaas te legen. De tweede deur leidde naar een kleine salon die ook als slaapruimte dienst deed. In een hoekje was een keukentje.
Alles zag er even keurig schoon, opgeruimd en heel meisjes uit.
Een meisjeskamer.
Ron keek peinzend om zich heen. Hij pakte een lijstje dat op een smal kastje naast de slaapbank stond, en waarin een oud polaroïdprentje zat. Een bewogen prentje met heel vaag, bijna doorzichtig, midden beneden een meisje dat in een lege, bruine zaal op een stoeltje zat en hem aankeek. Een feestzaal moest het zijn, want aan het plafond hingen vlaggetjes.
Of dat Monique was ? Hij wist het niet. Toen ze nog een tiener was ? Herkennen deed hij haar niet.
Hij zette het lijstje terug.
Wat zocht hij toch? Waarom was hij naar hier gekomen?
Wie weet belde die ouwe van de overkant nu al de politie en werd hij zo ingerekend en afgevoerd ….
Hij haalde zijn schouders op en sloeg de deuren open van een kast die een klein verkleedhoekje afschermde.
Zijn ogen gleden langs het schone frisse goed in laatjes en op plankjes; langs kleurige hemden, shirts, jurkjes aan hangertjes; en een paar rijen van glimmend gepoetst nieuw en modieus schoeisel. Hij lichtte de deksel van een ronde grijze kartonnen doos waar zijn blik op viel. Een hoedendoos, dacht hij, maar zijn vingers voelden zacht textiel. Hij haalde een blauw zijden slipje tevoorschijn en snoof er aan. “Misschien ruik je wel naar jezelf,” dacht hij, maar het rook heel anoniem en net gewassen.
Toen Ron Zevester het terug in de ronde doos propte stootten de topjes zijn vingers even op iets kouds, iets metaligs. Hij pakte de doos van de plank en graaide door Moniques ondergoed heen naar de bodem toe.

Zijn hart klopte sneller en zijn adem stokte. Wat hij daar in zijn hand hield en waar hij nu naar keek, dat leek een pistool. Leek, want zeker weten deed hij het niet. Hij had van wapens geen kaas gegeten. Misschien was het wel gewoon een stuk speelgoed, want dat kon bedriegelijk echt lijken wist hij uit de krant. Maar waarom zoiets in een doos met ondergoed stoppen? Of was het misschien een ongevaarlijk alarmding, om indringers de stuipen op het lijf te jagen ?
Hij woog het apparaatje op de palm van zijn hand.
Zwaar was het, en het rook naar vet of olie.

Aan de binnenkant van één van de kastdeuren hing een ronde spiegel. Ron Zevester pakte het pistool in zijn rechterhand en keek naar zijn beeld op de manier die hij uit films en van de televisie kende : de arm met het pistool iets gebogen en de linkerhand die zijn rechterpols ondersteunde. Hij kneep zijn linkeroog stijf dicht, aarzelde even maar haalde toen de trekker over.

“Pang !” zei Ron Zevester.
– wordt vervolgd –
Moois van Harsman
Harsmedia: Harsman’s eigen siteEerdere afleveringen van Henrik Henegouws Hellevaart
[ Sun Ra – Calling Planet Earth ; Love in Outer Space :: Richard Wagner – Ouvertures :: Amon Duül II – Phallus Dei :: Allman Brothers – Eat a Peach :: The Jimi Hendrix Experience – Electric Ladyland ]

About j.k. harsman