Met ruime marge herkozen

‘Gefeliciteerd met je verjaardag lieverd!’ Een rode doos, versierd met een gouden lint. Hij lacht zijn tanden bloot. Een dubbele rij smetvrij wit. Plastic tandvlees. Zijn levende oog kijkt naar me, het dode vlucht.
‘Je oog zit niet helemaal goed lieverd.’ Hij punnikt er in met zijn pink.
– ‘Zo schat?’
‘Ja zo, lieverd.’ Ik leg mijn hand op zijn wang en bestudeer zijn gezicht.
Krachtige trekken, spierwit haar, kort geknipt. Zwart maatpak. Killer smile. Gouden ring om zijn vinger. Onze ring. Haat ik deze man? Nee. Het is meer een soort medelijden. Medelijden en een behoefte om hem te begrijpen. Waarom hij het doet, wat hem drijft. Bij hem te zijn, ook daar. Ik heb een rode satijnen japon aan, speciaal gemaakt voor deze gelegenheid. Uren gezeten bij de schoonheidsspecialist. Ik heb mijn diamanten collier om, voor het eerst sinds maanden. Ik zie er prachtig uit, zegt mijn dochter Renate. Hij zegt niets. Ziet het waarschijnlijk niet eens. Vroeger, ja toen wel. Toen mijn lichaam nog roze en rond was en zijn haren zwart. Toen wilde hij me wel. Soms wel vier keer op een dag. Maar naarmate we ouder worden keert het tij. Nu er geen gevaar voor zwangerschap meer is en mijn behoefte aan zijn lichaam groter is dan ooit, gaat zijn blik dwars door me heen.

Zijn liefde gaat uit naar de vriendinnen van mijn dochter, of naar nog jongere meisjes. Achttien, negentien. Met zijn glazen oog en zijn kunstgebit. Macht is sterker dan schaamte. Natuurlijk heb ik ook wel eens een tuinman of een zwembadjongen geprobeerd. Maar het is niet mijn stijl. Ik heb iemand nodig die mij wil om mij. Niet om het geld. Dat niet eens van mij is. Ik stil de honger, o schaamte, met speeltjes. Omdat hij zijn honger niet bij mij stilt.
‘Goh!’ Hij rammelt aan de doos. Grijnst breed.
‘Ik weet al wat er in zit…’ Maar hij weet het niet.
Hij trekt de gouden strik los en vouwt het doosje open. Hij is sprakeloos. Renate pakt mijn hand. Het is dan ook een prachtig oog. Tijdens onze vakantie in Aspen heb ik haar opgedragen om zoveel mogelijk close-ups van hem te maken. Met de foto’s van zijn goede oog heb ik door specialisten een zo natuurgetrouw mogelijke reconstructie laten maken. Het oog is licht. Het is niet van glas, maar van een composietmateriaal. Het gebied rond de pupil bestaat uit een aantal lagen. Er is een laag voor het hemelsblauw van de iris, een dun laagje waar de gele stervormige draadjes van de iris in verwerkt zijn, drie lagen voor de cornea, een gat voor de pupil. Er zit zelfs een lens in. Hij pakt het op. Bestudeert het van dichtbij. Hij is sprakeloos. Even lijkt hij weer te beseffen wie ik ben. Zijn grote liefde. De vrouw die zijn gebreken kent en zijn levensweg gemakkelijker probeert te maken.

‘Lieverd, dit is… dit is werkelijk een kunststukje. Hoe heb je…Waar heb je dit…?’ Voor het eerst deze avond Kijkt hij me aan. Hij schudt zachtjes zijn hoofd en raakt mijn lippen aan.
‘Eleonora. Je ziet er werkelijk prachtig uit. Had ik dat al gezegd? Die jurk. Hoe kom je aan die jurk?’ Hij legt het oog voorzichtig in het doosje en geeft het aan Renate. Hij neemt me in zijn armen en kust me. Ik beantwoord zijn omhelzing en verlies me er in. Mijn lichaam bloeit open en onze kus wordt hartstochtelijk. Ik wil hem. Als een moeder, als een zuster. Als zijn vrouw. Maar halverwege onze kus verslapt zijn aandacht. Ik kijk op en zie dat zijn goede oog langs me kijkt.

Ik duw hem van me af en kijk om. Een struise blondine in een zwart cocktailjurkje staat met een overdreven gebaar champagne te nippen. Ik betreur het ineens dat ik geen vlekkende tienerlipstick op heb. Ik wil hem bij zijn kin pakken maar het is al te laat. Hij kust me afwezig op mijn voorhoofd, kust mijn dochter op de wang en loopt naar het verse vlees. Ik grijp Renate´s hand. Mijn knokkels zijn wit. Ze fluistert troostende woordjes en masseert mijn nek. Ik laat haar hand los. Ik heb hoofdpijn. Maar ik recht mijn rug. Ik neem afscheid van mijn kind, vouw het lint om de doos en loop met geheven hoofd de marmeren trap op, naar onze slaapkamer. Ik leg het cadeau aan zijn kant van het bed en neem wat slaaptabletten met een glas whisky. Slapen lukt niet erg. Om drie uur lig ik nog altijd wakker. Hij ligt te ronken naast me. Hij is even na middernacht binnengekomen. Hij kuste me goedenacht en viel meteen in slaap, tevreden als een kind. Hij is een slordige doucher. Onder zijn douchegel ruik ik de geur van een andere vrouw. De blondine. Iedereen weet het. Mijn dochter weet het al meer dan een deccenium. Maar mijn mannetje is sluw. Niemand komt langs zijn security. Geloof me. Ik heb de beste gluurders ingehuurd.

Als ik wakker word is het half negen. Hij is al weg. Zijn oude oog heeft hij in de cadeauverpakking gelegd. Een mooi gebaar. Ik rommel in mijn nachtkastje en pak iets dat er uit ziet als een grote poederdoos. Ik klap het ding open en druk op ‘On.’ Vrijwel meteen verschijnt er beeld op het ingebouwde schermpje. Ik zie zijn hand. Hij zoekt iets in het dashboardkastje. Kauwgom. Hij kauwt en zijn handen trommelen op het stuur. Jammer dat er geen geluid bij zit, maar dat hoeft ook niet. Ik weet dat hij zit te schelden op het verkeer. Hij bumperkleeft, rijdt door rood, allemaal dingen die hij gezworen heeft nooit meer te doen. Ergens in mijn hart weet ik het ook wel, maar het valt me toch tegen.

Ik bel en vraag de meid of ze ontbijt voor me wil maken. En of er nog ergens een doos chocoladetruffels is. De rest van de morgen blijf ik in bed. Terwijl hij in de file staat eet ik mijn spiegeleieren en drink versgeperste jus. De filebeelden zijn niet echt interessant. Behalve als er ergens vlees achter een stuur zit. Dan gaat zijn tong uit zijn mond. Vingers in een V tegen zijn lippen en de tong beweegt er tussen. Viezerik. Sommige vrouwen doen er nog aan mee ook. Knipogen. Tsja. Dure wagen, he. Ik schud mijn hoofd en scheur het cellofaan van de truffeldoos.

Als hij de parkeerplaats van het hoofdkwartier van de partij oprijdt druk ik op Record. Ik weet dat er bovenin het gebouw een ruimte is waarin alleen een enorm bed staat. Dat er spiegels aan het plafond hangen. Op die spiegels reken ik, voor mijn bewijs. Voor mijn vrijheid van deze man, die ik ondanks alles liefheb. Och het is zo voorspelbaar. Hij parkeert slordig, over het voor hem gereserveerde vak en het vak er naast. Werpt een kushandje naar de receptioniste, geeft een nieuwe medewerkster in de lift een warme handdruk met twee handen. Het is een roodharige. Ze bloost, ze praat druk en knikt gretig naar zijn roofdierogen. Als ze uitstapt kijkt hij langdurig naar haar billen. Ze heeft vast een uitnodiging voor een diepte-interview in de kamer boven.

Ah, we zijn op de zevende. Zijn verdieping. De verdieping met de de afwerkkamer. Geen mens komt hier behalve hijzelf. Zelfs mijn dochter is hier nog nooit geweest. Mijn man opent de liftdeur met een goudkleurige keycard en loopt een donkere gang door. Hij gebruikt de keycard weer voor de deur van zijn kantoor. Ik kauw op een truffel en kijk ademloos toe. Het licht is verblindend, als de deur open gaat. De muren van zijn enorme kantoor zijn bekleed met spiegels. In het midden staat een groot notenhouten bureau. Hij gaat er achter zitten en pleegt een paar telefoontjes. Ik schrijf de nummers op maar het zijn allemaal interne belletjes. Hij trekt de stekker uit de telefoon en zet zijn mobiel uit. Zijn computer heeft hij nog niet eens aangezet. Hij zoekt in een bureaulade en vindt een tijdschrift. Het is een oud exemplaar van ‘Newsweek’. Zijn sympathieke gezicht siert de voorplaat. ‘Killer!’ staat er bij, in grote gele letters. Hij heeft destijds een grote slag geslagen, voor zijn partij. Een seksschandaal bij de rivalen… De glossy is duidelijk veel gebruikt. De omslag is verkreukeld en er zitten vlekken op.

De man van mijn leven legt het blad op zijn bureau en… maakt zijn broek los. Hij begint zich af te trekken, terwijl hij naar de foto kijkt op de cover. Als hij opkijkt, met een van genot vertrokken gelaat, zie ik dat alle spiegels op de muren zo gericht zijn dat ze hem weerspiegelen aan zijn bureau. Hij kust de foto op het voorblad, gaat er met zijn tong langs en spuit zijn kwakje er uiteindelijk met zichtbaar genoegen overheen. Hij veegt de voorpagina schoon met een tissue en stopt het blad terug in de lade. Ik heb vijf truffels achter elkaar op en ik ben een beetje misselijk.

De opnameapparatuur snort. Ik zit stokstijf in mijn bed en tuur nagelbijtend naar het schermpje. Nu staat hij voor zijn bureau, met zijn hand in zijn broek. Hij wiebelt verleidelijk heen en weer en werpt kushandjes naar de spiegels. Zijn schoenen, zijn pak en zijn overhemd gaan uit. De kledingstukken vallen op de parketvloer. Hij roept geile dingen. Denk ik. Ik kauw als een automaat door de truffels heen. Ik trek het bovenste plasticje uit de doos. Tijd voor laag twee. Hij heeft een rood lingeriesetje aan. Mijn ondergoed.

Hij loopt naar zijn printer. Zijn beeltenis zingt de kamer rond. Het rode onderbroekje zit strak in de naad van zijn oude billen. Hij legt een bedje van A4’tjes op de vloer voor zijn bureau. Dan doet hij iets geks. Ik zie even niets meer. Als ik zijn oog weer zie ligt het op de A4’tjes op de vloer. Het wordt op zijn plek gehouden door de tanden van het kunstgebit.

Mijn man hurkt er boven in mijn lingerie en grijnst naar de spiegels, met 1 lege oogkas en ontbloot roze tandvlees. Hij trekt mijn broekje naar beneden en begint er op de defeceren. Ik ben totaal verrast. Maar ik moet blijven kijken. Het oog en gebit raken bedekt met bruine derrie. Mijn maag draait zich om en ik kots een bruin laagje chocolade in mijn truffeldoos. Als het oog weer helder wordt stroomt er water overheen. Hij staat het af te wassen denk ik. Hij veegt het droog en zet het terug in zijn gezicht. Hij draagt nog steeds mijn bustehouder. Hij steunt ergens op, een wastafel denk ik, en leunt voorover. Zijn gezicht hangt maar een paar centimeter van de spiegel.

Hij trekt zijn meest sympathieke gezicht en glimlacht. Oh, daar is hij goed in. Ik ben bijna bereid te vergeten wat ik net gezien heb. Vervolgens zet hij grote ogen op en trekt een angstaanjagend gezicht. Dan trekt hij een meelijwekkend gezicht. En nog een. Dan een luisterend gezicht. Een oprecht gezicht. Allemaal even levensecht. Als hij het zat is verslappen zijn trekken. Zijn mond zakt langzaam open. Het plastic gebit zakt mee. Kwijl loopt langs zijn kin. Het lijkt het gezicht van een dode. Na een kwartier trekken zijn gezichtsspieren samen in een spastische grijns. Om alles vervolgens weer terug te laten zakken. Dit spelletje houdt hij meer dan uur lang vol. Daarna veegt hij kwiek de kwijl van zijn kin, kleedt zich aan en plugt alles weer in, inclusief zijn ziel. Ik lig in bed en staar naar het scherm. Tussen mijn knieën ligt een truffeldoos vol koude kots. Hoewel ik onder de dekens lig ben ik ijskoud. Een vraag spookt door mijn hoofd: Kom ik nog aan mijn bewijs voor ik deze man onder ogen moet zien?

About sam gerrits