Mevrouw ten Brakel, aflevering Mevrouw ten Brakel heeft medelijden

Mevrouw ten Brakel had net haar twee bruine boterhammetjes met oude kaas rustig opgekauwd, want goed kauwen was belangrijk voor de spijsvertering. Daarn had ze haar glas karnemelk leeggedronken, niet te snel, want snel drinken was ongezond. En vervolgens had ze ook haar Golden Delicious geschild en eveneens doodkalm opgekauwd. Ze genoot altijd extra van haar appel vanwege de naam die hij droeg. Golden Delicious, alsof je iets moois uit een schatkist naar binnen werkte. Ze had wel eens ergens gelezen dat je de appelschil beter op kon eten dan eraf kon halen, omdat dat gezond was, maar mevrouw ten Brakel hield niet van appelschillen. Dus sneed ze, dwars tegen de gezondheidsadviezen in, haar appeltje elke dag in vieren, wipte het hartje waar de pitten zaten eruit en schilde de partjes met snelle, handig uitziende bewegingen, hetgeen schilletjes zo dun als papier opleverde. Ze liep net met haar bordje met schilletjes en het glas naar de keuken, toen de bel ging. Dat zou de jongen zijn die wel eens boodschappen voor haar deed. Ze veranderde van richting, begaf zich naar de voordeur en deed, met enige moeite vanwege het bordje en het glas, open. Ja hoor, daar stond hij: de jongen die zich zoals altijd verschrikkelijk onhandig leek te voelen in zijn lange lijf. Met zijn vettige, blondige, sliertige haren en zijn ijzerige bril die eveneens altijd een beetje vettig was. Tenminste de glazen dan, van het ijzer kon mevrouw ten Brakel het nooit zo goed zien. De jongen keek mevrouw ten Brakel recht aan. En dat was vreemd. Niet dat iemand haar aankeek, dat gebeurde wel vaker. Maar dat deze jongen haar aankeek, was wel vreemd, want meestal deed hij zijn uiterste best om de duur van de ontmoeting, die meestal niet meer dan een paar minuten besloeg, zonder ook maar één keer oogcontact te volbrengen. In deze voor mevrouw ten Brakel dus nieuwe ogen, zag ze leed. Het klinkt nogal kort door de bocht misschien, maar een andere omschrijving zou niet volstaan. Mevrouw ten Brakel keek regelrecht in onmiskenbaar leed. Ze schrok er zelfs een beetje van.
        “Kom even binnen,” zei ze tegen de gewoonte in. Waarschijnlijk deed ze dit, omdat ze een bordje en een glas in haar handen had, waardoor ze het lijstje niet kon pakken dat ze alvast in de zak van haar schort had gedaan voor het geval de jongen zou aanbellen. Maar misschien deed ze het ook wel omdat ze van haar stuk was door het leed dat ze zo onverwacht in de ogen van de jongen had gezien.

Heel erg kort hierna zat de jongen aan de tafel van mevrouw ten Brakel. Zijn lange vingers, met veel te ver afgekloven nagels waardoor rode, glimmende plekken waren ontstaan, plukten aan het kleed. Niet eens nerveus, meer gewoon plukkerig. Mevrouw ten Brakel had intussen het bordje en het glas in de keuken gezet en zag dat het mes nog op tafel lag. Ze keek even naar de jongen met als doel zich glimlachend te verontschuldigen voor het feit dat ze nu alweer naar de keuken moest, maar de jongen had zijn oude gewoonte weer in ere hersteld en keek zorgvuldig weg. Mevrouw ten Brakel bracht het mes naar de keuken, zich diep in het dilemma verdiepend of ze de jongen nu gewoon het lijstje moest geven of hem eerst een glaasje water aan moest bieden. Dat leed had haar nogal geraakt. Zo’n jonge jongen nog. En dus vulde ze, nadat ze het bordje en haar melkglas op het aanrecht had gezet, zich bedwingend om het niet meteen af te wassen, een limonadeglas met water en liep ermee naar de jongen. Ze zette het glas voor hem neer en ging tegenover hem zitten. De jongen zei niets, ook niet over het water. Mevrouw ten Brakel besloot dat zij dan maar beter iets kon zeggen, want zo zwijgend tegenover elkaar zitten had ook niet zoveel zin.
        “Hoe heet je eigenlijk?” vroeg ze. De jongen leek zich een ongeluk te schrikken. En weer, heel even maar, kruisten hun blikken elkaar. In deze nanoseconde zag mevrouw ten Brakel niet alleen leed, maar ook angst. Waarom was die jongen bang? Was hij bang voor haar? Of was hij gewoon van zichzelf bang? Bang in de basis, om het zo te noemen. In die eerste blik had mevrouw ten Brakel alleen leed gezien, dus die angst was er later bijgekomen, waardoor haar theorie dat hij misschien in de basis bang was, niet helemaal opging. Maar bang voor haar, dat kon toch ook niet.
        “Adolf,” zei de jongen zacht, waardoor mevrouw ten Brakel uit haar overpeinzingen werd gelokt.
        “Adolf,” herhaalde mevrouw ten Brakel, de naam langzaam uitsprekend, alsof ze iedere letter even wilde uitproberen. “Dat is apart,” voegde ze eraan toe, om de jongen op zijn gemak te stellen. “Zo heten niet veel mensen,” verduidelijkte ze, omdat de jongen niets terugzei.
        “Nee,” klonk het toonloos uit de mond die getooid was met koortsuitslag en zich naar het leek iets rechts van het midden van het gezicht van de jongen bevond. Of dat leek alleen maar zo, sprak mevrouw ten Brakel zichzelf streng toe. Ze moest geen voorbarige conclusies trekken; ze kon het helemaal niet goed zien, omdat hij zijn hoofd zo naar beneden hield.
        “Zit je nog op school?” ging mevrouw ten Brakel moedig verder. De jongen maakte een onzichtbare beweging, waardoor het leek alsof hij nog krommer en gekreukelder leek. Alsof hij zichzelf het liefste zou willen opvouwen tot een klein propje. Hij maakte een minimale beweging met zijn hoofd, die het midden hield tussen ja knikken en nee schudden. Mevrouw ten Brakel zuchtte inwendig, zodat de jongen niet zou merken dat ze vond dat het allemaal niet erg opschoot. Omdat hij toch niet keek, schoof ze het glas water iets dichter naar de jongen toe. Misschien dat dit hem zou helpen zich ervan bewust te worden, want mevrouw ten Brakel wilde nu toch wel dat hij het glas leegdronk en haar boodschappen ging doen.
        “Heeft u een man?” klonk het ineens glashelder waardoor mevrouw ten Brakel heel even dacht dat er nog iemand in de kamer was.
        “Niet meer,” antwoordde ze, “niet dat hij dood is, hoor, hij is weg.”
        “Weg,” echoode de jongen, die nu duidelijk een knikkende beweging met zijn hoofd maakte.
        “Ja.”
        “Mijn vriendin is gisteren onder een auto gekomen.”
Mevrouw ten Brakel staarde naar de kruin van de jongen, die zijn hoofd nog dieper naar het tafelkleedje boog. Hij moest de draadjes stuk voor stuk kunnen zien, zo dicht was hij het kleed genaderd.
        “Wat erg,” mompelde mevrouw ten Brakel zacht.
        “Ze ligt in coma en bloedt inwendig of zoiets.”
Mevrouw ten Brakel voelde het leed, dat ze eerder in de ogen van de jongen had gezien, nu in haar eigen lijf.
        “Ze heeft een dwarsleasie en hersenbeschadiging.”
Mevrouw ten Brakel stelde zich zo voor dat de vriendin van de jongen het enige was dat zijn leven zin gaf, dat hij verder niets of niemand had en dat hij elke dag voor haar had gekookt. Ze kreeg een overweldigend gevoel van medelijden met de jongen.
       “Misschien wordt ze nooit meer wakker, dat zeiden ze ook.” En toen ineens ging de jongen rechtop zitten en keek hij mevrouw ten Brakel aan. Weer was zijn blik veranderd: hij keek nu verscheurd
        “Dat is beter toch?” kwam het wanhopig piepend uit zijn keel. Op dat moment begreep mevrouw ten Brakel in één keer alles. De jongen leed omdat hij zijn vriendin toewenste dat ze in coma bleef, omdat als ze wakker werd haar een leven vol ellende te wachten stond. Maar hij was bang voor de mogelijkheid dat ze niet wakker werd, want dan zou hij haar nooit meer spreken. Dit nam hij zichzelf kwalijk en daarom was hij verscheurd. Want door bang te zijn dat ze niet meer wakker werd, wenste hij haar een leven vol ellende toe. Maar door te hopen dat ze niet meer wakker werd, misgunde hij haar het leven zelf. Arme jongen. Mevrouw ten Brakel pakte een hand met afgekloven nagels vast, kneep er even zachtjes in en keek in de verscheurde ogen.
 “Ja, dat is beter.”
Dankbaar kneep de jongen terug.

About simone duwel