Overwinningstocht

Heel af en toe, zeg maar bijna zonder uitzondering, kijken vrouwen over mij heen. Dat heerlijke, mannelijke brok testosteron dat voor ze staat. Waardering voor mijn lange wilde manen, die ik met liefde dagelijks shampoo en condition, blijft uit. Ook mijn lange, dunne, wiebelige lichaam doet vrouwenharten niet echt sneller kloppen. Het ergste van alles is nog wel; dames snappen niets van mij, of van wat ik doe. Nu heb ik dat gelukkig zelf ook, dus ik begrijp vrouwen maar al te goed. Dat is eigenlijk mijn enige pluspunt, nu ik er zo over nadenk. Maar ja, ondanks alles – ik heb testosteron. Dus ik ben een man.

Ik kijk geïrriteerd op; stemmen van achter mijn celdeur halen me uit mijn mijmeringen. Ben ik net aan het praten met een interessant persoon, mezelf, word ik gestoord. Maar er komt niemand naar me toe. Dus ik staar maar weer naar de muur, en probeer na te gaan hoe ik hier ook alweer terecht gekomen ben.

Ik woon in Bussum, de parel van het Gooi. Op nog geen vijf minuten lopen van mijn hok is een coffeeshop, de Piramide. Ik had mezelf vandaag eens getrakteerd op een lekkere joint Nepalese hash. Tien euro neerleggen, vloei en tip vragen en naar huis rennen. Want hoe rapper je rent, hoe rapper je kunt roken. Daarnaast, ik schuw daglicht; dus ik had twee redenen voor mijn snelle tred. Welke belangrijker was wist ik eigenlijk niet. Ik zeg altijd maar dat ik vroeger nooit handtam ben gemaakt.Een half uur later en zo stoned als een kerkrat, rende ik naar buiten het daglicht in, en maakte ik in een waan van vertrouwen in mijn mannelijkheid een euforische triomftocht, naakt, door het centrum. Iedere mooie vrouw die ik zag pakte ik bij de wangetjes, zoals alleen oma’s (en ik dus) dat kunnen, ik kneep er in en fluisterde met een glimlach van oor tot oor een deel van mijn ziel in hun mooie oorschelp: ‘Ik had zo graag gewild dat jij Trish was! Maar ook jij bent lief, mooi en geil,’ waarna ik huppelend op zoek ging naar het volgende meisje waarvan ik wilde dat ze Trish was.

De kern van mijn probleem, mijn mannelijk falen, als je het zo wilt noemen, is namelijk dat ik hou van een vrouw die ik nog nooit in het echt heb gezien. Trish is mijn internetvriendin, wat dus betekent dat ik alle shit van haar ken, maar haar hoofd nog nooit eens aandachtig “in het echt” heb mogen bekijken. We kennen elkaar al vier jaar en we zijn stapelverliefd. Stapelverliefd onder voorwaarden; ik mag graag naar andere vrouwen kijken en regelmatig eens mijn hoofd helemaal over laten lopen van gevoelens voor allerlei onbekenden. God, wat zou ik graag willen dat Trish nu bij me was. Wat interesseren die anderen me eigenlijk ook… Hallo, ziet niemand dat? Deze houten bank zit ook niet lekker. Dat rare dunne lichaam van me, geeft me niet eens een normale kont met zitvlees. IJsberen dan maar. God het is hier koud. En Marscha neemt er de tijd voor. Verdomme, vraag je ook eens wat. Ik heb haar zeker twintig minuten geleden gebeld? Alsof ze iets beters te doen heeft. Kutwijf.

Trish… Soms stel ik me wel eens voor, als ik stoned ben, hoe een ontmoeting tussen mijzelf en iemand waarvan het innerlijk geen geheimen meer voor me heeft, maar wiens lichaam me compleet vreemd is, zal verlopen. Soms maak ik dan in mijn overmoed een vergelijking tussen mezelf en Howard Carter, die in 1922 de tombe van koning Toeth opende. Het moet net zoiets zijn als bij Tomb Raider – je weet dat er van binnen een schatkamer zit die je stoutste dromen overtreft, maar als je ervoor staat is de weg om er binnen te komen een groot raadsel en bezaaid met de meest gruwelijke vallen. Nóg stoutmoediger bedenk ik me dan altijd: ‘Wat Carter kon, kan ik beter!’ Pronkt er bij piramides een waarschuwing boven de ingang: “De dood komt op snelle vleugels naar degene die aan het graf van de farao komt”, ik zal te maken krijgen met een katholiek meiske dat haar maagdelijkheid ten koste van alles beschermt. Ga daar maar eens aan staan, Carter! De vloek van de Farao is een parkwandeling, vergeleken met de testen die je moet doorstaan, wil je de schatkamer van een vrouw betreden… Hier ijsbeert dan weliswaar een boegbeeld van mannelijkheid, maar zelfs bij mij gaat er wel eens een radertje scheef zitten, in mijn pogingen dit raadsel op te lossen. Waarom denk je anders dat ik naakt en apestoned in het centrum van Bussum rondren?

Er gaat een luikje in de deur open en er wordt mij koffie aangeboden. Ik sla het af en ik vraag of ik thee kan krijgen, waarbij ik uitleg dat koffie voor leraren en smerissen is, en bovenal – het is verslavend. De verslavingen die ik tot dusver heb opgebouwd zijn sigaretten (Luckies) en drank (alcohol) en daar ben ik zuinig op. Daarnaast, ik vind twee verslavingen al meer dan genoeg. Zonder verdere reactie wordt er een kopje thee voor me ingeschonken. ‘Zonder suiker, graag, want daar rotten je hersenen van weg.’ Verdomme, wat duurt het lang! Marscha, opschieten!

Ik schat dat ik na mijn vierde omhelzing een knal op mijn achterhoofd kado kreeg. Zo kwam ik er achter dat politieagenten van rond de veertig jaar met een breed, corpulent postuur niet discussiëren met magere naakte twintigers die onder invloed van softdrugs vrouwen omhelzen om lieve zachte woordjes in hun oor te fluisteren, maar liever de matrak laten spreken. Mag ik achteraf trouwens opmerken, deze diender had behoorlijk ruwe handen. Het begrip metroman zal nog wel niet doorgevoerd zijn binnen het politiekorps Gooi en Vechtstreek… De dikkerd sleurde me hardhandig de politiebus in. Ik vraag me trouwens nog steeds af hoe ik die bus over het hoofd heb kunnen zien. Hij stond pal achter me. De vrouw die ik net had losgelaten, na een tedere toefluistering, stond me nog steeds verbouwereerd aan te kijken. Ondanks de klap op mijn kop, de spreekwoordelijke sterretjes en de hash die mijn inschattingsvermogen aardig vertroebelde, las ik in haar ogen dat zij wist wie er voor haar stond; een tedere man die zichzelf verliest in de onmogelijkheid een vrouw lief te hebben die achter kilometers glasvezelkabel aan het andere eind van de wereld woont. Een man die zichzelf moedwillig verlaagt tot autistische, onhandelbare gek, enkel en alleen voor zijn hopeloze liefde. Zij zag de tederheid, de waanzin, het verlangen, de zelfopoffering en het genot van mijn keuze. Het begrip en het medelijden dropen langs haar ooghoeken, over haar gezicht. Toen de bus begon te rijden namen we visueel afscheid van elkaar. Ik dankte haar eeuwig voor haar begrip en haar medelijden. Zij bleef me sprakeloos nakijken.

Zodra de mooie verschijning van Marscha om de hoek verschijnt gaat mijn hart sneller kloppen en verdwijnen al mijn problemen als sneeuw voor de zon. Het is weer voorbij! ‘Oh lieve Marscha, je bent toch gekomen! Je bent mijn reddende engel. Wat duurde dat verdomme lang zeg?!’ De bewaarder doet de celdeur open en ik speer met al mijn snelheid op Marscha af, omhels haar met mijn zwoele armen en fluister heel zacht in haar oor: ‘Ook jij bent helaas Trish niet, maar jij bent misschien wel net zo lief, mooi en geil…’Buiten het bureau, op de parkeerplaats voor de Vomar, staat een bekende me aan te kijken. Het is de vrouw die sprakeloos de politiebus nakeek, toen ik naakt werd afgevoerd. Ik geef Marscha een knipoog en loop daarna richting de vrouw, die me zonder enige waarschuwing hard bij mijn rechteroorlel pakt, mijn hoofd naar beneden trekt en me aan mijn oor naar huis begint te slepen. De tederheid en het verlangen die ik eerder meende te zien zijn nu compleet verdwenen.’Verdomme, Benjamin, wat had ik nou gezegd over hash en mensen lastig vallen?’Meer dan ‘Sorry, mamsje, ik zal het nooit meer doen’ weet ik even niet te zeggen.

About benjamin marqueringh