Vanochtend, of: integratie …

Over integratie gesproken, aan het ontbijt vanochtend vertelde Vidal me vol trots
dat hij zulke goeie cijfers voor Nederlands had. “Gisteren hebben we een test
gehad,” zei hij, op z’n waals, “en ik had nonante-trois sur cent !”

Dat is niet niks natuurlijk, 93 op de 100 … ! Maar toen ik hem daarop vroeg
hoe je nonante-trois sur cent in het nederlands – het vlaams desnoods – zegt, toen
zat de lieve jongen met zijn mond vol tanden. En dat ik plots, zonder
aankondiging, ons ontbijtgesprek over koetjes en kalfjes in het nederlands
voortzette, maakte het alleen nog maar erger …

“Je ne comprends pas,” lachtte hij schuchter, en lepelde wat in zijn kom
met yoghurt.

Allochtonen in Nederland die spreken tenminste – meestal – nog wel nederlands. Dat is bij een schrikwekkend groot deel van de franstalige – autochtone – bevolking in Brussel niet het geval – hoe anders ‘officiele cijfers’ ook mogen suggeren. En andersom net zo, denk ik.
Ik ben veel in Brussel.
Ik ken er overwegend franstaligen. Onder hen is er niet één die behoorlijk nederlands verstaan, laat staan spreken kan.
Vlamen en de walen, het zijn er twee werelden-van-alledag, die volstrekt naast
elkaar lijken te bestaan, langs elkaar heen blijken te leven.
Steeds weer sta ik er versteld van, van het absurde gebrek aan wederzijdse integratie bij die twee grote autochtone bevolkingsgroepen in ons buurland.
Vidal en Velia zijn in Brussel geboren. Ze gaan naar een franstalige school. Krijgen daar nederlandse les van een goedwillende vlaming. Mondjesmaat. “Omdat het nou
eenmaal verplicht is …”, dat druipt er vanaf, zeker op die school
Ze krijgen les van een vlaming, maar toch een heel aardige man, bevestigen ze beiden.

En of ze dan ook vlaamse vriendjes hebben ?

“Nee,” zei Vidal. “Maar we zien ze wel eens als we spelen in het park. Ze
lijken me ook best wel kunnen, en we proberen wel eens, maar we doen nooit
lang wat samen. Want dan praten ze altijd vlaams, en dat verstaan wij niet …”

Wat later, in de bus terug naar Parijs, belde ik even nog mijn ouwe moeder in Maastricht, om te vragen hoe of het met haar ging.

“De zon gaat op, en hij gaat weer onder,” zei ze. “Eigenlijk is het een
wonder, hè? Maar je ziet geen mens op straat, behalve die rotte gek
van de overkant. Ik moet de wc nog schoonmaken. Dan schil ik de
aardappels. Straks is er wel weer wat leuks op de televisie.
Gelukkig maar, want verder is het overal maar rotzooi …”

In de bus was het lekker rustig.
Ik heb uit het raam gekeken en nagedacht.
Voor je er erg in hebt torenen buiten dan alweer Les Mercuriales

(jk harsman, vanuit huis
– Vincennes, Frankrijk)

About j.k. harsman