De Geschiedenis van mijn Welslagen, hoofdstuk 6: De Kardinalen aan de Rand van de Krater

Op een dag ergens aan het einde van de zomer – het jaar, al sedert schooltijden beladen, 1984 – bemerkten we dat het licht in ons huis was veranderd. We woonden op het eiland Korfu, op de zuidpunt. We hadden een onbelemmerd zicht op de zee, op de vrachtschepen en de ferries, die als bij toverslag verschenen, roerloos op de horizon lagen en later op de dag weer even plotseling verdwenen.
Een van onze favoriete plekken om te zitten en een beetje te kijken, te praten, iets te drinken, was op het muurtje aan het eind van onze tuin. Zij rookte toen nog. We hadden twee geadopteerde katten, die tussen het gras zochten, sprongen, van krekel naar krekel, zonder er ooit een te vangen. Onder ons lag de luwende zijde van de heuvel. Amandelbomen groeiden tussen het rotsgesteente.
De dagen waren fijnzichtig; we beleefden ze blootsvoets, een dunne linnen broek, onze lichamen gebronsd; iedere dag bereikte ons uit een andere windrichting; we draaiden mee, als in een dans die nooit kon eindigen.
Ons huis, zongen we, ‘was a very, very fine house, with two cats in the yard’ en van die hippie-naïviteit schoten we steeds in de lach. En dan speelden we de oude LP-’s die we in het stadje in een sjofele platenzaak hadden gevonden : The Four Tops, Elvis in Hawaï, Berlijnse Bowie ; een twotone plaat van Lee Scratch Perry, die volgens de eigenaar van de zaak door de meester zelf was meegenomen om te ruilen tegen een lp van Demis Roussos.
We dansten op Joao Gilberto en op de muziek van lokale barden, die na een liter wijn ineens heel droef en toch zo vol van geluk klonk als alles waarvan je denkt dat het niet voorbij kan gaan. We vierden de nadagen van ons Arkadië – noem het zo, we waren tenslotte in Griekenland. Dat van die nadagen wisten we niet, totdat we dus bemerkten dat het licht in ons huis was veranderd.

We waren vier jaar eerder in Griekenland aangekomen, zonder plan, zonder doel; we hadden genoeg aan ons zelf. Ik had Josephine in Straatsburg ontmoet. Haar vader was ambtenaar bij de EEG. Wat ik daar deed, weet ik niet meer. Er staat me iets bij van een vioolbouwer en een lange rit door de Ardennen in een auto vol geurend hout.
Ik heb die lapsus in mijn geheugen nooit kunnen verklaren. Zo zat ik op een oude fauteuil in een etagewoning van de Amsterdamse volksbuurt de Pijp, het tapijt toegedekt mat de zaterdaguitgave van de Volkskrant, zo zat ik in een café in Straatsburg; onze handen waren al begonnen aan het liefdesspel.
Haar vader had het geregeld dat ze in Parijs rechten ging studeren. Hij zag de carrièremogelijkheden iedere dag om zich heen. Wat ik ervan heb begrepen, voerden Josephine’s ouders een zakelijk huwelijk, dat werd gekenmerkt door spaarzame gesprekken, afzonderingen in de studeerkamer en een moeder die naast haar Samsonite koffer in de hal stond. De moeder verbleef met grote regelmaat in de hoofdstad, deed iets met antieke zijde en tempelbeelden uit Indo-China.
In ieder geval, zo jong als ze was, Sophie, Zoë kortweg Zo – ik heb heel lang moeite gehad met het melkachtige Josephine – ze wist heel snel dat onze scheiding een onherstelbaar litteken in ons hart zou branden. We vertrokken in een oude Eend naar het zuiden, met weinig spaarcenten, maar, wat ik spoedig ontdekte, een groot talent bij haar om uit stukjes hout, gesmolten centen en de kleren van oude poppen juwelen te maken.
Onze ontsnappingsroute leidde langs de Joegoslavische kust. We bleven nergens langer dan een paar dagen. Overal ontmoetten we landarbeiders die onze achterbank vulden met aardappelen, sla, uien en tomaten, soms een fles zelf gemaakte wijn, vijgen. We spraken een taal die geen van ons verstond, en wezen voortdurend naar het zuiden. Iedereen zwaaide vrolijk mee, en vertelde daarbij een mop waarom ze hard moesten lachen. Maar waarom hebben we onderweg niet ontdekt. De laatste hand die ons verder zuidwaarts leidde, was van een Griekse politieagent: ik had hem op een druk kruispunt de weg naar de haven gevraagd.

We reisden zestien maanden van eiland naar eiland. Op een piepklein eiland voor de Turkse westkust vonden we ons paradijs : overal groene eilandruggen tussen het helderste zeewater dat je je maar kon voorstellen. Veel touristen kwamen er niet, het lag te ver uit de route, en niemand wist van de witte parelvis die alleen hier te vinden was, een vis die in Athene zijn gewicht in goud waard was.
Onze viend Yanis nam ons mee. Hij was verrukt door de visvangst. Wij keken onze ogen uit. Hier en daar een paar vissersdorpjes, misschien tien huizen direct aan het strand, witte koepeldaken iets hoger tussen het groen. We vonden een klein huis en namen afscheid van een leven dat ons van campingplaats naar pension had gevoerd, vaak langs feesten die we niet wilden bezoeken.
Het eiland was precies groot genoeg om het te voet te verkennen. We maakten lange wandelingen op weg naar een zonsondergang en een nieuw uitzicht. Het lukte me zelfs om eindelijk de sardientjes fatsoenlijk te grillen, olie, peterselie, mmm. En toen kwam haar moeder op bezoek, en zij sprak met ‘Sophie!’- altijd dat uitroepteken erbij- en daarna duurde het een paar weken voordat haar onbekommerde lach terugkeerde en al die tijd zocht haar hand troost in de mijne.

Aanvankelijk vond ik de reizen naar Izmir nog curieus. Ze brachten me terug naar een civilisatie die lawaai maakte. De stad vond ik niet zo bijzonder, maar zij had het geheimzinnige van haar geschiedenis, én van de contactpersoon van moeder die ons beelden en sieraden verkocht, en daarbij een document voor de douane meegaf. Uit iedere gezichtsplooi en oogopslag sprak dat die documenten vervalst waren.
Het reizen verveelde geen moment, overal trof ik een gevoel van ver weg en nooit meer terug. Josy bedrukte het op den duur; ze bleef alleen achter op ons eiland. En dat bedrukte mij weer, ineens had ik werk.
Een telegram beeïndigde dat werk en sloot ook de poorten van het paradijs. De contactpersoon in Turkije was gearresteerd. We konden beter een andere woonplaats zoeken. Korfu. Moeder had het huis al gekocht.
En dat ging goed, tot op die dag dat we elkaar verbaasd aankeken. We zaten op het tapijt, op de kussens en speelden mikado en merkten dat het licht was veranderd. Zoals bij plots hoogteverschil een prop in de oren het geluid lijkt te dempen, zo veranderde ook de lichtval – de lucht was blauw, de schaduw op het terras van de grote terracottapot met de citroenboom was scherp als op alle dagen, maar in onze woonkamer hing het vreemde midwinterse licht van een regenachtige dag in een noordeuropese stad.
We hoefden het niet uit te spreken. Ons vertrek stond vast. Even drastisch als onbezonnen stonden we op, namen het allernoodzakelijkste en verlieten het huis. We zijn er nooit meer teruggekeerd. Ze verbrak het contact met haar moeder.

Een zomer later stonden we op een heuvel en keken uit over Wenen, zoals de grootvizier ooit moet hebben gedaan toen hij de stad belegerde. Hij kon terugkeren naar een tentenkamp dat tot aan de horizon de velden wit kleurde.
We besloten in een cirkel om de stad te trekken. We hadden genoeg geld verdiend in strandplaatsen om op zoek te gaan naar een huurhuis. In de binnenstad wachtte een echtpaar op ons. Terwijl we naar de stad keken, overlegden we welke windrichting ons het beste zou bevallen. Zuid viel snel af. Iedere keer als je de voordeur achter je dichttrok, zou je denken dat het de laatste keer was : zuid was de richting van het vertrek. Later hoorden we dat het de richting van de dood was.
Als zuid de richting van het vertrek was, dan was noord de richting van de aankomst.Later hoorden we dat noord de richting van iedere wedergeboorte was. Maar die verhalen kwamen later, veel later, toen het er allemaal niet toedeed. Maar toen maakten we een grote boog om de stad en zochten we en vonden we het huis dat we sedertdien bewonen.

About rinus van alebeek