De Geschiedenis van mijn Welslagen, hoofdstuk 7: Stenen II

Mijnheer Liend droeg zelfs een cape als dat klimatologisch ongepast was. De cape zwart, zijn gestalte sluipend, als van een dief die verdween bij het ruisen van de wind, en niets dan warrelende bladeren achterliet. Dieven definieerden het schemergebied dat tussen het bewuste en het onbewuste lag. Waarom het Duitse woord voor steeg ‘Gasse” moest zijn, wist ik niet. Ook hier, bij het uitspreken van het woord, trad het moment in, waarop het zichtbare zich opmaakte om geruisloos het tijdelijke te verlaten. Het leek mij toe dat de Heer Liend dit moment voortdurend opzocht: een zwartnachtelijk vogelmens, die op klaarlichte dag, maar ook in lantaarnverlichte nachten zich uit het asfalt losmaakte.

Ik kon me er niet tegen wapenen. Zo stond ik in dromen aan het venster van onze zolderkamer, keek uit over de stad, wist dat Zoso daar onder ergens liep met de hond Enzo, die met zijn lachende blaf op ieder rood McDonaldkarton reageerde, liet me ook bedroeven door het huis van Liend dat een flink stuk van het uitzicht wegnam, precies het deel waar de stad. zich opende naar het Nederoostenrijkse land, de wazige, somtijds onzinnige vlakte die de dagen aldaar van een heimzoekend erotomanisch negisme kon vervullen, ongeveer zoals het beeld van een rode auto die eerst een stip was, een Onzelieveheersbeeststip, kleur kreeg, speelgoed werd, een advertentie, een bioscoopreclame, een herinnering tenslotte aan een zaterdagmiddag in een wijk waar een bekende uit je jeugd bleek te wonen, een derdegraads bekende, nog niet eens ‘hallo,’ maar nooit vergeten, omdat hij op zijn veertiende al een snor had.

Dan gaapte het Nederoostenrijkse land eens flink, en de auto was toch niet anders dan een oliebeestje dat tak op tak af liep, en die tak hield je vast, en je wist dat het insect eigenlijk nergens naar op weg was, totdat het de lakachtige vleugels uitspreidde en vloog, en de auto achter het dak van het huis van mijnheer Liend zijn weg vervolgde.

Ik had een keer met hem gesrpoken. Een pakje was verkeerd bezorgd. Ik bracht het hem. Grijze ogen, mondgeur als vermolmd hout en wijwater, vingers waardoorheen de knoken blonken. Nog voordat hij de tweede zin had uitgesproken, moest hij een grap maken; ik had het pakje vast niet bezorgd, als de geadresseerde ‘Lindt’ had geheten. Bezorgd. Toen volgden tien minuten ‘bla’ over al de koddige voorvallen uit zijn leven die hij aan deze naamsverwisseling had te danken. Daarbij at hij nooit chocolade. “Ha, ha, ha.”

In het jaar na de eerste en enige ontmoeting groeide mijn onbehagen. Het werd tenslotte zo erg dat Josephine besloot dat er iets gedaan moest worden: zij wist van een pentakelse ster boven zijn deur. Ik dacht kerstmis. Zij belde een mevrouw die in bossen heksenkringen vond. Ik dacht Peruaanse panfluiters voor de ingang van de Stefanskerk. Zij noemde de bibliotheek van Alexandria. Ik dacht het meisje in de bank voor me tijdens de scheikundeles. Zij zei, en brak haar zin halverwege af en keek me aan, alsof ze naar me keek.

Ik nam de tram naar onder en wandelde doelloos door de stad. In de buurt van het Prater botste ik bijna tegen een gekostumeerde jood, zoeen met pijpekrullen en een mooie hoge toverhoed.

“Pardon.”
“Nee, mijn excuses.”
“Welnee, ik was…”
Hand op mijn pols.
“Es tut uns beiden leid.”

Een lach zo smeuig en zacht, dat een meisje ervan zou smelten, een stem zo warm en melodieus dat … nee, niet dat, uit een raam klonk vioolmuziek. We schoten in de lach, en vervolgden ieder onze weg, nog lang begeleid door de sonate van Bach: dat was de afscheidsgroet die aan zijn hemelwaartsgerichte wijsvinger hing en onze toevallige ontmoeting afsloot.

Niet helemaal afsloot.

Ik droeg in die dagen een knap colbert, tweed, zo mooi uit de mode dat de vrouwen me op straat verbaasd lachend aankeken. De jas was als een hond – Enzo ging vaker met haar dan met mij mee – misschien de reincarnatie van een hond, wachtte me op bij de kapstok, klaar om over mijn schouders te glijden, mijn armen op te slokken, me met zijn warme vleugels toe te dekken. De jaszakken waren vergaarbekkens van tussentijdse terloopse berichten en souveniers, die ik in koffiehuizen of ergens onderweg had opgedoken.

Ik speelde ermee bij het lopen. Ik had zelfs een dobbelsteen, een olijfgroene met ivoorkleurige ogen. Ik had geen steen, althans geen herinnering aan de vondst ervan. Die steen voelde ik nu wel, althans ik voelde iets dat onmogelijk de dobbelsteen kon zijn, en ook niet het medaillon met de beeltenis van de vrouw van Ottokar, God hoe heette ze toch alweer: ze had haar naam aan een soeprestaurant gegeven, ergens in het oosten van Hongarije, waar we op zoek waren naar … stenen?

Ik bleef staan, iets terzijde in de luwte van een etalage – kantoorbenodigdheden – en bekeek de steen, die ongeveer zo groot was als het nageldeel van mijn duim, zwartbruin van kleur, niet geaderd. Er was een teken in gegraveerd, of misschien een beschadiging, …maar, zo rond en zo rein en zo wit? De helft van een Nederlands dubbeltje zo groot, zo groot als een allerliefste moedervlek die je voor het eerst bij je geliefde ontdekt – josephine heeft er een; ik zeg niet waar, maar toen ik die voor het eerst zag, wist ik, wist zij … Moedervlek bruin op wit? Deze hier het negatief ervan …

Ze bekeek hem voor de spiegel, de rug naar me toe gekeerd; ik op bed, lag daar aslof ik omhoog was gevallen, uit een wereld die op zijn kop stond. Ze liet de kaarsen branden, geurend, flakkerend – schaduwen begeleidden haar wiegende dans: een warme val naar een ander oord, waar een mannenkoor zong, een koor van gekostumeerde joden, voor een moedrvlekbruin gebouw op een witte vlakte, waar de hemel zich opende, en ik nog een keer viel.

We hadden de hele nacht in elkaars armen geslapen, werden wakker bij zonsopgang. Mijn hand gleed over haar heup. Onze kamer gloeide na in het ochtendlicht. Ik sliep weer in. Mijn vriend gaf me de steen en wees me de plek in onze tuin. Daar begroef ik hem in de middag. En toen schrok ik wakker. En herinnerde zijn woorden die hij vlak voor zijn dood had gesproken: “Malech – Leb – Orem.” Oost – Zuid -West, en de hoofdbeweging die de loop van de zon volgde.

De roos bloeide van Maart tot laat in Oktober. Ik had hem daar geplant waar ik de steen had begraven. Malech – Leb – Orem. Nog voordat de winter kwam, kreeg Liend te horen dat hij zijn huis moest verlaten. Hij ging zonder te groeten. Een week na zijn vertrek werd het huis afgebroken. De opzichter sprak van ‘gasverontreiniging’.

About rinus van alebeek