Henrik Henegouws Hellevaart, aflevering 38: Rekel en Moervos

Muisloos – Nachtval – Staalrecht – Voorbos – Booggeluid –
Voor die mooie ogen van je – Tussen de Rails

Henrik deed er het zwijgen toe.
Hij probeerde zich voor te stellen hoe het zijn zou, iemand plots aan de buitenkant voor langs dat wandhoge venster te zien vallen. Verder dan een verstilde schreeuw en uitgelichte lokken die in de valwind golfden kwam hij niet. En als hij uitzoomde, dan had het net zo goed een oud tapijt kunnen zijn. Het verschil, dat zag je dan niet meer.
“Er zijn hier geen muizen, beertje …” fluisterde Virginie.
Henrik schudde zijn hoofd. “Nee,” zei hij. En hij herhaalde: “Er zijn hier geen muizen …”

Célex BIII bewoog lichtjes mee met de wind die buiten rond de toren wervelde. Aan de wolken die buiten aan de hemel langs een volle maan en een handjevol zichtbare sterren schoten zagen ze hoe straf die wind wel niet zijn moest.
Ze voelden hoe hij hen traagjes wiegde.

Henrik wees naar de maan.
“Alleen bij volle maan is er soms verduistering,” zei hij. “De maan moet zich dan in één van de twee punten bevinden waar het vlak van zijn baan om de aarde het vlak van de baan van de aarde om de zon snijdt. Het mooie is, dat als hier bij ons op aarde de maan verduistert, dan verduistert op de maan de zon. Dat is pas prachtig, dat de zon verduistert … een nachtval, waarbij alles dat rondom is plots stil en schaduw wordt.” Hij sprak allengs zachter, en de laatste zin verstond Virginie niet meer. “Natuurlijk dat het Gods vingertop is die vermaant, en – voor even maar – het zonlicht dooft.” Dat was enkel nog een ruiszucht die over haar oorschelp streek.
Ze tilde haar hoofd van Henriks schouder. Ze wreef er even over, en gaf er toen met de knokkels van haar hand twee tikjes op.
“Klok, klok …”
“Maxinamuri kwam uit Korea, net als zijn vader. Dat was een diplomaat. Zijn moeder was een française die op de ambassade in Seoul werkte. Op een nacht schoof Maxi zijn vaders Porsche ergens op de snelweg tussen Parijs en Orléans met een fikse vaart achter onder een langzaam rijdende twaalftonner met defecte verlichting. Het was een wonder dat hij dat overleefde. Maar er was nogal wat versplinterd, dat wel. Zo kwam Maxi aan schouderbladen van metaal,” vertelde ze, “en hoewel ze er zijn eigen huid terug over heen gespannen hadden, straalde die dode prothese altijd iets heel priemends en kouds uit. Ik kon ze zien. Die platen schenen blauwig door zijn huid heen. En mijn hoofd op Maxi’s schouder leggen, dat kon ik niet. Dan was het alsof mijn wang bevroor. Misschien geloof je me wel niet, maar het klonk ook vreemd, het ruisen van zijn bloed en zijn hartslag dóór dat metalen dinges heen. Ze waren trouwens niet van titanium of zo, maar van roestvrij staal, Maxinamuri’s schouders. Van Duitse makelij.” Ze wachtte even, dat haar woorden bezinken konden. “Dat was wel een last, natuurlijk.”
“Staalrecht,” knikte Henrik. Hij wist niet precies wat hij ermee bedoelde, maar van de relevantie van het woord was hij volledig overtuigd.
Virginie keek hem vragend aan. Ze lachte. Maar het was geen grapje.
“Aanstalen,” dacht Henrik ook nog, maar dat zei hij niet.

“Ik woonde zomers met Maxi buiten de stad, in de resten van een verlaten boerderij, waar geen mens meer naar taande. Daar omheen lag leeg land, vol begroeid met wild gras en onkruid, en een donker stuk voorbos waar een groep vossen leefde. Vulpes vulpes, één rekel samen met een stuk of wat moervossen. Maxi bespiedde de vossen. Hij kende al hun geluiden en deed ze dan na. Urenlang hing hij rond in het struikgewas in de buurt van hun burcht, hoewel ze daar eigenlijk niet zo heel veel gebruik van maakten. Hij noemde dat ‘studie maken’, en hij schreef het allemaal op in een schriftje. Ze raakten nooit echt bevriend, maar de vossen tolereerden Maxi, dat wel. Want ze wisten natuurlijk dat hij geen kwaad wou. Hij mocht in hun buurt zijn, als hij maar niet te dichtbij kwam … Brood bakten we zelf. We hadden kippen en konijnen, die deelden we met de vossen. Ook een geit, een kat, geen telefoon en zeeën van tijd. We speelden, vreeën en sliepen buiten, op het lege land …”
Virginie schraapte haar keel. Ze dacht even na, en vervolgde toen: “Door dat lege land liep een spoorlijn, op nog geen honderd meter van onze achterdeur. Daar raasde zo ongeveer eens per uur een sneltrein over. En als Maxi niet bij de vosssen was dan moest Maxi naar de treinen luisteren.”
“Een trein op het spoor,” zei Henrik Henegouw, “dat is staal over staal, net als bij die ouwere types van metrotreinen. Zo krijg je dat snerpende, dat booggeluid. Van stalen wielen op stalen spoorstaven. De wielen slippen, want de buitenboog is groter dan de binnenboog, en zowel het stalen wiel als de spoorstaaf beginnen te trillen. Het geluid dat die twee zo samen afstralen gaat door merg en been …. hoewel ik het vaak ook hartverscheurend vind …”
“Maxi moest naar de treinen luisteren,” vervolgde Virginie. “En op een goeie dag moest en zou ik met hem mee. ‘Jij ook,’ drong hij aan, ‘meeluisteren!’ Ik deed het nog ook. Dat kwam omdat hij zulke mooie ogen had, Maxinamuri … ”
Ze liet zich achterover op het bed vallen en staarde naar het plafond.
” ‘Kom!’ riep Maxi. En ik rende uitgelaten achter hem aan, naar de spoorlijn. Nee, booggeluid dat was er daar niet. De spoorlijn lag stil en recht, kilometers lang door verlaten landerijen.”
“Staalrecht,” zei Henrik weer. Nee, het was geen grapje, dat snapte Virginie nu ook. Ze lachte niet, draaide zich op haar buik en vouwde haar handen onder haar kin. Zachtjes liet Henrik zijn vingers in haar bilnaad glijden. “Staalrecht,” fluisterde hij nog een keer, want hij wist nu waarom. Hij zag hoe in een eindeloze verte onder een wolkenloze hemel de twee spoorstaven van de rails in een uiteindelijk punt samenvloeiden. Dat bedoelde hij, toen hij daarnet ‘aanstalen’ dacht.


Een telefoon begon te rinkelen. Het was dit keer niet Virginie’s mobieltje, maar de vaste lijn. Het toestel stond op de glazen tafel. Virginie schudde haar hoofd.
“Niet opnemen,” zei ze, “niet nu …”
Nadat de telefoon een keer of tien was overgegaan kwam het antwoordapparaat tussenbeide. Na een korte mededeling betreffende de afwezigheid en/of verhindering van de abonnee, weerklonk er een piep ten teken dat nu een boodschap ingesproken kon worden.
Ze hoorden het geblaf van honden en een ijle vrouwenstem, verbaasd over het uitblijven van antwoord. De stem riep:

“… hallo ! …”

“… hallo …”

“… hallo ? …”

“… hallo ! …”

Toen werd de verbinding verbroken en na een bezettoon die een twintigtal seconden aanhield schakelde het apparaat zichzelf weer uit.

” ‘Kom!’ riep Maxi. En samen renden we naar de spoorlijn. Maxi sprong over de rails heen, ging liggen en duwde zijn oor tegen het blinkende staal, dat gloeide van de hitte van de zon die er urenlang op neergeschenen had. Ik lag aan de andere kant, net zo met mijn oor op een spoorstaaf. Tussen de rails heen hielden we mekaars hand vast, op een houten dwarsligger. Soms duurde het heel lang, maar tenslotte begon er ergens diep in het staal zachtjes iets te zingen, al lang vóór er in de eindeloze verte op het uiteindelijke punt een stipje grijs verscheen. En terwijl dat stipje langzaam groter werd, zwol het zachte zingen aan tot een steeds doordringender zoemen. Als tenslotte het stipje was gegroeid tot iets dat nog het meeste leek op een woeste metalen kunstdraak en het gezoem een oorverdovend gebulder werd, dan lieten we mekaars hand snel los, en rolden elk aan onze kant weg van de rails. De sneltrein donderde als een razend beest tussen ons door, en allebei gilden we zo hard als we konden mee met zijn schreeuw, die bijna zweepte en lang na nog dopplerde, om tenslotte in het andere uiteindelijke punt weer te verdwijnen …”
Virginie trok een cigaret uit Henriks pakje Chesterfield en stak die op. De eerste rookwolk blies ze in Henriks haren.
“Het was zó opwindend, beertje,” zei ze, “kun je je het voorstellen? … We werden er steeds zatter van … ‘Wedstrijd! Wedstrijd!’ juichte Maxinamuri en hij trok nog een fles rode wijn open. ‘Van nu af doen we dat wie het eerste loslaat en wegrolt, nou ja, dat die verloren heeft. Wat daar de gevolgen van zijn, dat bedenken we daarna nog, ja?’ Zijn ogen schitterden en zijn mond lachte breed-open. Ik was toen al te dronken om te weten en ik giechelde maar wat, geloof je me? De zon ging langzaam onder en kleurde de hemel net zo rood als de wijn die we dronken. Toen de fles leeg was gingen we liggen, ieder aan onze eigen kant, met een oor op de stalen spoorstaaf en de handen gevouwen tussen de rails op een biels. Ik keek naar Maxi, en Maxi keek naar mij, en ik keek naar Maxi en Maxi keek … Toen moet ik ingeslapen zijn. Hoelang we daar zo gelegen hebben weet ik niet, enkel dat het donker was toen ik wakker werd. Dat ik de hand van Maxi in de mijne voelde, terwijl de boze draak onder hels geronk en kabaal op ons afstormde met drie felle koplampen die de rails bestookten. Dat ik wegrolde en dacht “Verloren!” en toen aan de andere kant van het spoor in Maxi’s ogen keek die lachten en vochtig blonken in de schijn van het fel aanwakkerende licht, met zijn hand nog steeds tussen de rails, zijn oor rustend op het staal van de spoorstaaf en zijn vingers die zich naar mij strekten terwijl de sneltrein voorbij raasde en het vreselijke geluid dat klonk van krakende botten voor de duur van een kleine tel maar die ik nooit zal vergeten het geraas van de motor en het kletterend gedender van staal over staal overstemde …”


Virginie doofde haar cigaret in het asbakje op de grond en keek naar Henrik, die haar met open mond aanstaarde. Toen begon hij plotsklaps heel erg hard te lachen.
“Je liegt het!” riep hij, “Je liegt het …”
De tranen rolden over zijn wangen, waarop ook Virginie in lachen uitbarste.
Schuddebuikend vielen ze elkaar in de armen.

“En jij, beertje?” vroeg Virginie toen ze uitgelachen waren.
Henrik wreef even door zijn haren.

“Diana heette mijn vrouw,” zei Henrik Henegouw. “Diana Dromvers.”

– wordt vervolgd –

[ John Zorn – The Gift ; The Bribe :: Broadcast – The Noise Made by People :: Caravan – The Land of Grey and Pink :: Chet Baker – Chet ]

About j.k. harsman