Het leven van de anderen

Drie dagen voor de oscaruitreiking was ik in Berlijn. Een congres bracht me terug in de stad die ik drie jaar lang de mijne mocht noemen. Het was vervreemdend me te melden in een hotel, waarvan mijn kamer aan de achterkant bleek uit te kijken op een gebouw waar ik ooit werkte. Het avondommetje leidde me onverwacht langs een straat waar ik ooit een avontuurtje beleefde. Onderhand is ze getrouwd en heeft haar eerste kind.
Tussen het einde van het congres en de terugvlucht vielen er een paar uren vrij. Ik liep de stad in en twijfelde of ik het net geopende DDR-museum binnen zou gaan of me in de middagvoorstelling van een Duitse film liet zakken.
Het werd de film: Das Leben der Andere, een film over de voormalige DDR. Ik hoopte dat hij niet te grappig zou zijn, zoals eerdere films. In Goodbye Lenin wordt een heel gekunsteld verhaal gebruikt om te lachen om allerlei grappige DDR-attributen en uitspraken. In Berlin ist in germany lijkt de grootste schok van de val van de muur te zijn dat een taxichauffeur die uit de gevangenis komt de veranderde straatnamen niet meer kent. Beide geven nauwelijks een beeld van het leven in de DDR.
Ik liep naar de bioscoop in het voormalige Oost-Berlijn. De straat heeft na de Wende een gestage make-over ondergaan, die nog steeds doorloopt. Mooi gepleisterde gebouwen en veel hippe winkeltjes en cafeetjes. De bioscoop bevindt zich op de vierde verdieping van een kraakpand, dat manhaftig standhoudt tegen de vernieuwing. Het grote gebouw is in vervallen toestand, ernaast een open plek met schrootafval en onkruid. Om bij de bioscoop te komen moet je een aantal donkere betonnen trappen op, de muren vol graffity.
De kaartjes worden aan de bar verkocht. Er staat een kraker met lang haar en oorbellen door zijn neus achter.Voor mij wacht een gewoontjes geklede vrouw van in de zestig op haar beurt.
met orginele vingerafdruk van HGW XX/7
De kraker ziet ons niet, want hij gaat volledig op in zijn gevecht met de espressomachine, waar hij telkens heel precies te weinig melk in glazen giet en het dan opnieuw probeert.
De oude vrouw draait zich naar me om en vertelt dat ze lang getwijfeld heeft of ze deze film zou gaan zien. Het verleden is voorbij, weet je. Maar de vriendinnen van haar zwemclubje hadden gezegd dat ze hem toch echt moest gaan zien. Dat doet ze nu en ze gaat liever alleen, op een rustige middag.
We krijgen de kaartjes en lopen de zaal in. Er staan een stuk of 30 grote rode skai stoelen, met hele brede leuningen. Voor één, twee of drie personen. In de tweezitsstoelen zitten paartjes. Voor mevrouw en mij zijn er nog een éénzitsstoelen.
Das Leben der Andere is vanaf de eerste minuut goed. In sterke scènes ontrolt zich een prachtig verhaal over het leven in een land met een geheime dienst als de Stasi. Je wordt meegezogen in de angsten, de morele keuzes van klein verraad of heldendaad, die in onze maatschappij zo zelden voorkomen.
Ongeveer midden in de film is er deze scène: In een kantine komt een jongen enthousiast naar zijn collega’s en roept hen toe dat hij de laatste Honeckerwitz heeft. Weet je wat het verschil is tussen Honecker en een telefoon? Dan stokt zijn stem. Aan het tafeltje naast hem zitten twee mensen van Stasi. Hij maakt zich onzichtbaar en kruipt snel bij zijn collega’s aan tafel. De Stasiman keert zich naar hem toe en lacht vriendelijk. Nou, hoe gaat de mop? Vertel, maakt niet uit. Na nog een paar aanmoedigingen vertelt de jongen aarzelend de mop. Er wordt gelachen, ook de man van de Stasi weet een Honeckermop. Ieder lacht opgelucht. Dan ineens brult de Stasi: ‘Achternaam, afdeling, personeelsnummer! Ja van jou’, kijkend naar de jongen. Die trekt wit weg, protesteert zachtjes, maar de man herhaalt nog eens: ‘Achternaam, afdeling, personeelsnummer’. De jongen noemt met geknepen stem de gevraagde data. Dan barst de Stasi in zijn eentje in lachen uit, hahaha, hij geloofde me, hahaha. De jongens aan de tafel zijn doodsstil.
In de zaal in de bioscoop lacht ook iemand. De vrouw van de bar, die voor me zit, reageert als door een wesp gestoken. ‘Das ist nicht zum lachen’, bijt ze de lacher in het donker toe. Er loopt een rilling over mijn rug en ik realiseer me dat het voor haar niet alleen een film is, maar een deel van haar leven. Ik weet niets van de keurige mevrouw, die zich in dit krakershol heeft gewaagd. Niet of ze heeft zij te lijden gehad, hoever ze zich heeft moeten laten vernederen, of ze zelf zelf bij de Stasi was. Wat brengt de film bij haar boven?
Het zijn korte gedachtes, de film is sterk genoeg om me weer mee te nemen. Als we de zaal verlaten, kijkt de vrouw me even aan en zegt met een mengeling van bitterheid en berusting: ‘die jongeren weten niet waarom ze lachen, maar dat kunnen ze ook niet weten. Het is in elk geval goed dat zo’n film er is. Hij laat zien hoe het echt was, altijd die angst…’. Dan draait ze zich om en begint voorzichtig de betonnen trap af te dalen.
Hören, sehn, und...
Als ik weer thuis ben lees ik de recensie in de NRC. Dana Linssen schrijft: ‘Eigenlijk heeft de regisseur weinig over Oost-Duitsland te beweren. Zijn film ontbeert een eigen kijk op het Stasiverleden (…). Hij gebruikt – misbruikt zou je misschien zelfs moeten zeggen – die geschiedkundige setting om andere verhalen te vertellen. (…) Het is een geoliede machine van veilige emoties en risicoloze, modieus morele grijstinten.’

About emilio